De Latijnse school


De oudste vermelding van de parochieschool van de St. Janskerk in Gouda dateert uit 1366. Hendrik Rost van Jacob Trudenzoon kreeg toen een stuk grond in erfpacht dat achter de kerk, oostelijk van de school, lag. De zijdelingse verwijzing naar de school in die erfpachtakte is te vaag om de exacte locatie van de toenmalige school te achterhalen. Maar de ligging van de school wijst wel op de nauwe band met de kerk. Het recht om een school te besturen behoorde echter toe aan de heersende adelijke familie in hun hoedanigheid van kerkpatroon. Het feitelijke bestuur werd vervolgens aan een toegewezen scholaster overgelaten die de school weer aan een schoolmeester verpachtte.

Om het niveau van onderwijs te verbeteren, sloot het Goudse stadsbestuur in 1407 een overeenkomst met de toenmalige scholaster om tegen betaling de school te mogen besturen. Het niveau steeg en men kon er Latijn leren wat voor een universitaire studie nodig was. Als leerboek hanteerde men destijds veelal het door Alexander de Villa Dei (ca. 1170-1240) geschreven Doctrinale Puerorum, een leerdicht over het grammatica van het middeleeuws Latijn.

Aangezien Erasmus een deel van zijn jeugd in Gouda doorbracht, werd in 1521 met de benoeming van Petrus Nannius (1496-1557), een humanistische vernieuwing van het onderwijs in Gouda bewerkstelligd. Het middeleeuws Latijn maakte plaats voor het klassieke Latijn, Grieks werd toegevoegd en in de hoogste klassen werd Logica onderwezen. Nadat je had leren lezen en schrijven kon je op ongeveer negenjarige leeftijd worden toegelaten tot de grote of Latijnse school.

In 1551 kreeg het Goudse stadsbestuur, na een verzoek aan keizer Karel V, het erfpachtrecht in handen om de school te besturen. Nadat jonkheer Adriaan van Swieten (1532-1584) in 1572 in opdracht van Willem van Oranje Gouda veroverd (In naam van Oranje, doe open de poort’), wordt Van Swieten gouverneur en baljuw van de stad. In datzelfde jaar werden de banden van de school met de kerk verbroken en hield het op parochieschool te zijn.

In 1573 besloot de vroedschap om het Cellesbroedersklooster aan de Groeneweg, dat door de gebeurtenissen in 1572 zo goed als verlaten was, tot schoolgebouw in te richten. Als herinnering aan deze periode staat boven de ingang van het gebouw: Praesidium atque decus quae sunt et gaudia vitae, Formant hic animos Graeca Latina rudes’. Als eerste rector werd Paulus Traudenius uit Woerden aangesteld. De familie Traudenius zou gedurende een halve eeuw haar stempel op de school drukken. Paulus Traudenius werd in 1602 opgevolgd door zijn zoon Dirck die in 1607 overleed. Dirck werd opgevolgd door zijn broer Willem en de derde broer Gerardus Traudenius vervulde van 1615 tot 1623 het rectoraat.