Déjeuner op Huis ten Bosch


Toen het Koninkrijk Holland (1806-1810) op 9 juli 1810 bij het Franse Keizerrijk werd ingelijfd, werd een gewezen Normandische edelman van het ancien régime, Charles-François Lebrun, duc de Plaisance (1739-1824), benoemd tot gouverneur-generaal over de Hollandse departementen.

Charles-Francois Lebrun

Lebrun wordt door tijdgenoten omschreven als iemand die zich niet liet omkopen, een goed letterkundige in de klassieke talen, niet onbekend met hoofse vormen en manieren, zachtzinnig van inborst, ordelijk in huis- en hofhouding, weldenkend en kundig, maar bejaard en zwak. Net als alle andere topfunctionarissen kon hij onder een man als Napoleon enige wezenlijke invloed hebben op de gang van zaken.

Ondanks talloze verzoeken van aangewezen gardes en hun families om tussenkomst, kon Lebrun weinig betekenen. De prefect daarentegen trachtte via Lebrun druk uit te oefenen op onwillige opgeroepenen.

‘De Franse autoriteiten hebben ernaar gestreefd de bittere pil voor de aangewezenen te vergulden door het bewijzen van vriendelijkheden. Vooral de Zuid-Hollandse gardes hebben daarvan kunnen genieten als gevolg van de omstandigheid, dat de decoratieve en sympathieke figuur van Lebrun, hertog Van Plaisance, toen juist als prins-stedehouder op het Huis ten Bosch resideerde.

Het hoogtepunt van ontplooiing der prinselijke charmes was wel het déjeuner, dat de stedehouder op 23 mei aan de gardes van het eerste detachement aanbood. De gasten verzamelden zich in de prefectuur, vanwaar met koetsen naar het Huis ten Bosch werd gereden.’

Pijnlijke streek met de onder-prefect

‘De onder-prefect De Gestas nodigde een vijftal der jongelui om in zijn rijtuig mede te rijden. Hieraan werd onder meer gevolg gegeven door de gardes Van Dongen Bolding uit Gouda, Van Driel uit Oud-Beijerland en Koning uit Rotterdam. De heren spraken af te trachten met hun sporen in ’s mans kuiten te prikken. Dit gelukte hun één en andermaal, mede tot grote schade van zijn mooie zijden kousen. ‘Z.Ed. schreeuwde van de pijn’ of zoals een ander relaas vermeldt: ’hetgeen hem een benauwde schreeuw afperste’.’

Het feestmaal op Huis ten Bosch

‘Aan tafel troffen de 25 gardes, die opgekomen waren, naast hun gastheer twee generaals en verscheiden andere officieren. De tafel in de ‘zeer prachtige’ eetzaal was bekleed met uitstekend fraai bewerkt damast en ieder couvert was van het nodige en voor deze gelegenheid passende voorzien. In het midden stond een zeer schoon en groot zilveren blad dat omtrent de lengte van vier en de breedte van twee voeten had, waarop allerlei kristallen en porseleinen disornamenten prijkten, terwijl het omringd was door schone, prachtige marmeren vazen, waarin de uitgezochtste bloemen stonden. Er waren allerlei soorten van spijzen op de tafel, en ieder nam wat hij verkoos: krachtige bouillonsoep, sappige osseribben, malse kalfskoteletten, fijn wild en gevogelte, ragouts en een hoop uitmuntend brood. Ieder had ook een eigen fles wijn rechts voor zich en een karaf met water links naast zijn assiette.

Huis ten Bosch

Bovendien werden er nog wel vijf andere wijnen opgediend. Ongelukkigerwijs wisten de gardes, die geen ervaring hadden met prinselijke tafelzeden, niet, dat het zaak was ‘vlug en vliegend te schransen’. Niet zodra legde men vork en lepel neder, of een achterstaande knecht nam het bord, met alles wat erop was, weg en gaf een schoon in de plaats. Toen de prins opstond haalden de knechts alle stoelen weg onder de gasten, die niet eens tijd kregen om hun glas fijne smakelijke geurige en sappige dessertwijn uit te drinken.

In een andere kamer werden daarna nog zeer sterke koffie en de uitgezochtste likeuren rondgediend. Wat wil men nog meer? In elk geval kwamen de heertjes vrolijk er vandaan.’

Tweede feestmaal op de prefectuur

‘Op de dag van het vertrek, maandag 31 mei, vond nog een bescheidener herhaling van dit feestmaal plaats. Om 7 uur des morgens stegen de jongelieden te paard om zich tijdig op de prefectuur te verzamelen. In één der grote zalen werden zij onthaald op een uitstekend déjeuner à la fourchette: allerhande koud vlees, en gevogelte met de nodige geleijen, en voorts pastei en ander gebak, eijeren, brood, kaas, fijne vruchten, enz. besproeid met overheerlijke, ligte morgenwijn, welke werd gebruikt voor een heildronk op de keizer en op de roem van het leger. Daarna gingen de jongelingen weder naar het Huis ten Bosch, ditmaal te paard. Of de overheerlijke ligte morgenwijn daartoe heeft bijgedragen is niet meer na te gaan, maar het is een feit, dat de rit in de grootste wanorde werd volbracht. De onbedreven ruiters hadden dan ook nog slechts enkele uren aan rijlessen kunnen besteden.’

Bron: W.F. Lichtenauer, De Nederlanders in Napoleons Garde d’Honneur, Reeks historische werken van het Historisch Genootschap Roterodamum, deel 9 (Rotterdam, ‘s-Gravenhage 1971), p. 48, 102-106.