Frederik Jacobus Boom (1831-1904)
De betovergrootvader van mijn vrouw, Frederik Jacobus Boom, werd op 12 december 1831 te Rotterdam geboren. Op 27 maart 1858 huwde hij Catharina Elisabeth Meyer te Semarang, Midden-Java. Samen kregen ze acht kinderen. Hij was officier in het leger en diende onder meer in Nederlands-Indië. Hij overleed op 5 augustus 1904 te Haarlem.
De schipbreuk
Twee jaar voor haar dood schreef zijn dochter Alida (roepnaam Mida) Theodora Anna Helene Boom (1864-1937) over de schipbreuk die haar vader in 1876 leed in de Straat van Soenda tussen Java en Sumatra. Hieronder volgt haar verslag:
"Aan Frederik Antony Boom, geboren 16 september 1930, 3e zoon van Paul Boom en Johanna Elisabeth Catharina Kruseman Aretz
December 1934
Voor zijn achterkleinzoon, Frederik Antony Boom, — 3e zoon van Paul Boom Johanna Elisabeth Catharine Kruseman Aretz — wil ik, Mida Th. A. H. Schutte-Boom, oud 70 jaar, uit mijn herinneringen trachten op te diepen de meest treffende gebeurtenis uit zijn (mijn Vaders) leven, n.l. “de schipbreuk van de “Luitenant Generaal Kroesen”,” het stoomschip, waarmede Vader als Majoor uit Atjeh werd geëvacueerd naar Batavia. Dit stoomschip was destijds een der fraaiste booten van de Ned. Ind. Stoomboot Maatschappij.
‘t Was in het jaar 1876 en ik was 12 jaar oud, dus op den meest ontvankelijken leeftijd en daar ik tallooze keeren aan familieleden, vrienden en belangstellende kennissen deze geschiedenis heb verteld, die ik gedeeltelijk van Vader zelf hoorde, gedeeltelijk uit de couranten las en hoorde voorlezen, is mij de geheele geschiedenis goed bijgebleven, te meer daar ik een levendigen geest heb en met een zeer goed geheugen begiftigd ben.
.gif)
Toen ik niet recht wist hoe ik met het opschrijven van deze herinneringen aan moest en de schrijfster Geertruida Carelsen verzocht, mij daaraan te helpen, was haar antwoord, dat ik daarbij geen hulp noodig had. Ik moest maar niet aan letterkunst of letterkunde denken, eenvoudig doen alsof ik een brief schreef, dat zou het natuurlijkste zijn.
Met dien raad steek ik nu rustig van wal.
Een jaar of 6 moet ik nu eerst op de gebeurtenis teruggaan. Mijn Vader, Frederik Jacobus Boom, Kapitein der Infanterie O.I. Leger, werd, na zijn Hollandsch verlof (I jaar uit en thuis) geplaatst als Militair Commandant te Gombong in de Bagelen bij het Corps Pupillen, waar hij ruim 4 jaar tot volle tevredenheid van zijn supérieuren heeft gediend en daar tot den rang van Majoor werd bevorderd en overgeplaatst naar Semarang. Er werd te Batavia gedelibereerd of zij hem te Semarang zouden laten of naar Soerabaja of Atjeh zenden. Na eenigen tijd werd tot het laatste besloten.
Mijn Vader vertrok uit Semarang met zijn huisjongen Boeang en werd geplaatst te Oleh-leh (Atjeh). Uit dezen tijd dagteekenen de dagboekjes, waarin hij zijn nood klaagde over slapelooze nachten en malaria.
Het was in den tijd, dat de Regeering verordineerde, dat de Atjehneezen niet als vijanden mochten worden behandeld maar als vrienden (de Bruine Broeders met de gazellenoogen) een lastigen tijd dus, temeer, daar Toekoe Oemar en zijn kornuiten zich niet als zoodanig gedroegen. Telkens waren er vechtpartijen en haast alle nachten werd “Alarm” geblazen.


Ruim 1¼ jaar heeft Vader het volgehouden, toen werd hij geëvacueerd naar Batavia en scheepte zich den 19den Juni 1876 in met zijn huisjongen Boeang, den paardejongen Kimin en zijn paard, op het stoomschip de ”Luitenant Generaal Kroesen”, onder bevel van den gezagvoerder, den heer Verloop. Ik was toen te Batavia op kostschool, waar ook mijn oudste zuster, de vrouw van Kapitein Vervloet, woonde. Mijn moeder was, na het vertrek van vader, naar Salatiga gegaan en woonde daar met mijn tweede zuster, de latere Mevrouw van Geen en nog twee zusjes.
22 Juni, onder schooltijd, werd ik weggeroepen door mijn zuster Vervloet, die bericht had ontvangen, dat het stoomschip, de “L. G. Kroesen”, was verongelukt en dat Vader op de lijst stond van de passagiers, die verdronken waren. Bovendien vreesde zij, dat ook haar man zich aan boord had bevonden, daar er in een brief sprake van was geweest, dat hij met Vader mee zou komen.
‘s Avonds, toen mijn zuster en ik in arren moede bij elkaar zaten, werd de Generaal, ik meen dat het Generaal Pfeiffer was, aangediend, die ons kwam troosten en o.a. zeide: “Mevrouw Vervloet, als er 2 personen gered zijn, dan is één ervan uw Vader, want hij staat bekend als een meer dan uitstekend zwemmer.”
Verder stelde hij mijn zuster gerust, dat haar man niet met Vader was meegekomen.
Hoe was nu de catastrophe gebeurd. Doordat de Kapitein, een jonge man van nog geen 30 jaar, een korteren, nog onbekenden weg had genomen (dit stond in verband met de premie op de lading) liep de boot in Straat Soenda op een blinde klip. Men voelde twee hevige schokken en met een vreeselijk gekraak en geruisch van binnenstroomend water, brak de boot middendoor. Dit gebeurde ‘s avonds precies 8 uur; het horloge van mijn Vader was op dat tijdstip blijven stilstaan, door de aanraking met het zeewater. Vader maakte, zooals alle avonden na het eten, een partijtje kaart en legde juist een groot spel op tafel, zeggende: “Spadille, Manille, Basta…” Bom zei het schip en nogeens Bom. Verschrikt keken de spelers elkaar aan en gooiden de kaarten op tafel. Vader vloog de kajuitstrap op en kwam op de trap den kapitein tegen, die hem toeriep: “We zijn voor de haaien!”

Vader dacht, evenals de anderen, die den kapitein tegenkwamen: hij gaat zich voor z’n kop schieten, (gewone uitdrukking onder militairen). Doch inplaats daarvan kwam hij spoedig daarop weer aan dek met zijn geldkistje en een portefeuille met de scheepspapieren en liet zich met velen der bemanning in een sloep naar Telok Betong roeien. In wanhoopstoestand, zonder eenige hulp van gezagvoerder of stuurlieden, stonden daar de passagiers, gillende om den man, die hen zóó onverantwoordelijk in den steek gelaten had en aan een wissen dood ten prooi liet.
Kapitein Verloop is daarna geheel van het tooneel verdwenen en pas veel later hoorde mijn Vader, dat hij, geholpen door Bataviaansche vrienden, in Singapore een fabriek van victualiën had.
Geen pen is bij machte om de verwarring en den vreeselijken toestand te beschrijven, dien mijn Vader op dek zag. Iedereen was doordrongen van het “sauve qui peut”. Overal hulpgeroep en vertwijfeling. Controleur Ahn, die op een dekstoel lag, riep mijn Vader toe: „Boom, kun je zwemmen?" En toen Vader zei: „Als een rot!" antwoordde hij: ik niet!" en hij strekte zich op zijn stoel uit en heeft verder geen poging gedaan zich te redden. Hij leed aan melancholie.
Mevrouw Bos, de eenige dame aan boord, met drie kinderen, waarvan één zwakzinnig was, riep handenwringend: “O, red mij en mijn kinderen!” Vader vloog naar de verschansing om een reddingboei voor haar te krijgen, doch kon er met geen mogelijkheid een voor haar bemachtigen, daar ze alle vastgeschilderd zaten aan de verschansing. (Later vernam ik van een oud-gezagvoerder, dat pas in het jaar 1907, na de ramp van de “Berlin”, een geregelde contrôle is ingesteld op het reddingsmateriaal, opdat zooiets niet meer gebeuren kon).
Terwijl Vader bezig was met zijn zakmes de reddingboei los te snijden, zonk dat deel van het schip en trok Vader mee de diepte in. Op dat moment voelde hij zich in zijn schouder gegrepen en riep de stem van Boeang, de huisjongen: “Mijnheer, denk aan Uw vrouw en 8 kinderen!” Daar Vader een zeer geoefend zwemmer was, werkte hij zich door watertrappen weer naar boven en voelde toen, dat hij met het hoofd tegen iets hards stootte. Met schrik dacht hij, dat hij onder de kiel van het nog boven liggende deel van het schip terecht was gekomen en hij waande zich al verloren.
Met een krachtigen ruk kwam hij er onder uit en bemerkte toen, dat het een losgeslagen hutdeur was. Meteen maakte hij er zich van meester, begrijpende, dat hij niet aldoor kon blijven zwemmen.
De verwarring in zee was nog veel erger en tragischer dan op het dek; hij voelde zich aan armen en beenen gegrepen en in wanhoop vloekte en gilde men om hulp en in de taal der Maçonnerie (Vader was Vrijmetselaar) werd gebeden en gesmeekt.
Wilde Vader zelf niet ondergaan, dan moest hij om zich heen trappen om los te komen uit die hel van gillende menschen. Bovendien wemelde het op die plaats van haaien en geredden hebben later verteld, dat Mevrouw Bos om zich heen sloeg om de haaien van zich af te houden.

Vader zag, dat er een sloep te water werd gelaten, die oogenblikkelijk door wanhopige drenkelingen in beslag werd genomen. Vader zwom er ook heen, en plotseling hoorde hij weer de stem van Boeang, die riep: “Djangan, toewan, tida ada prop, djangan telaloe dikkit!” (Niet doen, Mijnheer, er is geen prop in, kom er niet te dicht bij!) en meteen sprong hij er zelf uit en zag mijn Vader de boot met den geheelen inhoud in de diepte verdwijnen. In de haast had men vergeten de afsluitprop erin te doen. Vader was in de verwarring zijn huisjongen kwijt geraakt en stuurde, zoo gauw hij kon, met zijn deur zoo ver mogelijk van het wrak af, om niet meegesleurd te worden in de diepte en om weg te komen van al die vreeselijke geluiden van verdrinkende menschen. Later hoorde hij, dat Boeang en Kimin (de paardejongen) op een tafel een kind van Mevrouw Bos al zwemmende naar een andere boot hebben kunnen brengen en zelf ook gered werden. Helaas, mag ik wel zeggen, was dat het. zwakzinnige kind, terwijl de twee andere verdronken. Ook Vader’s mooie paard is bij die gelegenheid verongelukt.
De 1e nacht van 21 op 22 Juni was tamelijk stormachtig, met als geluk den wind naar land toe. Zij, die zich, zooals mijn Vader, aan stukken hout of stoelen drijvende hadden kunnen houden, maakten een kansje, als straks kruisers, bootjes of stoombarkassen van Telok Betong werden uitgezonden. Als ze werden uitgezonden, maar daarmee is met Indisch flegma te werk gegaan. Een aanmerking hierover kan men vinden in een aflevering van “Eigen Haard” van 1890, waarin een verhaal over de schipbreuk voorkomt, geschreven door Controleur S. W. Tromp, die zeer ontevreden was, dat het hoofd van het gewest hem geen toestemming gaf maatregelen te nemen, daar Lelanger en Pedada, waar het ongeluk gebeurde, tot zijn afdeeling behoorden.
Half zwemmende, half drijvende, passeerde Vader vele klippen, die scherp uit het water omhoog rezen. Op een ervan bevond zich een gedaante. Het was de heer Thieme, die Vader toeriep: “Boom, kom hier, dan zijn we met z’n beiden!” Doch Vader zag de branding hoog tegen de rots opslaan en dacht: daar wordt je tegen verpletterd, en hij koerste door. Van den heer Thieme is dan ook nooit meer iets vernomen.
Zoo stormachtig als de nacht geweest was, zoo stralend begon de dag van den 22sten Juni en honger en dorst begonnen zich te doen gevoelen. Geregeld heeft Vader zijn achterhoofd nat. moeten houden, daar het zonnetje erg stak. Aan den honger kon hij voldoen door af en toe gedroogde pruimen en abrikozen, geweekt in het zeewater, op te eten, die evenals vele andere dingen op het water dreven en afkomstig waren uit kisten met proviand van het schip. Een paar maal had hij last van kleine zeekrabben, waarvan één hem goed te pakken had in zijn jukbeen. Vader, die altijd korte metten maakte, trok het beest af en meteen een stuk vel mee. De wond heeft hem erg gehinderd en was nog niet genezen toen we hem terugzagen.
Steeds hoopte Vader één of ander vaartuig tegen te komen, maar hij was blijkbaar afgedwaald, want hij zag niets dan water, lucht en riffen, die glasscherp uit het water oprezen. Toch had hij zich rekenschap gegeven van den koers, dien hij nam. Het kostte hem zeer veel moeite niet in slaap te vallen, telkens dreigde de slaap hem te overmannen, doch dan bemerkte hij, dat zijn steun hem ontglipte en wist hij niet hoe gauw hij de deur weer zou na zwemmen.
Zoo brak de tweede avond aan en doodelijk vermoeid heeft hij in de nacht uitgeroepen: “Vrouw, kinderen, ik heb alles gedaan wat ik kon, maar het gaat niet Langer!” Toen schrok hij van zijn eigen stem en zwom en dreef weer verder.
Tenslotte geraakte hij zoo vermoeid, dat hij niet bemerkt heeft, dat hij op een eilandje werd gegooid, maar weer wèl voelde hij, dat de branding hem terugsloeg en dat hij zijn deur kwijt was. Hij is toen blijkbaar weer, en nu hoogerop, neergegooid, want toen hij ontwaakte uit een diepen slaap, bemerkte hij, dat hij op een strand lag. De zon kwam juist op; 36 uur had hij dus in het water gelegen. Rondkijkende, zag hij klapperboomen en onmiddellijk dacht hij aan het oude gezegde: waar klapperboomen zijn, wonen menschen. Toch bleek dit niet heelemaal juist te zijn, het eiland was onbewoond, maar werd eenmaal per week door een visscher bezocht. En nu zijn we geneigd te zeggen: “hoe kan dat!” en toch was het zoo. Toen Vader, verkwikt door den slaap, om zich heen keek, zag hij een prauwtje landen, waaruit een Arabier stapte, die de visscher was, die juist dien dag op het eiland kwam. Vader vertelde den man wat er gebeurd was en hoe hij daar gekomen was, en dadelijk bond de visscher aan, Vader naar Telok Betong te roeien, waar hij de boot naar Batavia af kon wachten.

Te Telok Betong aangekomen, meende Vader goed te doen, zich eerst te melden bij den Resident Jhr. Cornets de Groot. Bij diens woning sprak de visscher met den oppas (oppasser), dien zij voor den ingang vonden en die aan den Resident Vader’s komst zou mededeelen. Na een oogenblik kwam de man onverrichter zake terug met de boodschap: de Toewan Besar had gezegd: “Iedereen kan zich wel Majoor Boom noemen!” Voor deze opmerking heeft de Resident later uit Batavia een scherpe reprimande gekregen, die hem dan ook toekwam. Vergeeflijk is het echter, als men bedenkt dat Vader, na hetgeen hij had doorgestaan, er zeer armoedig en sjofel uitzag en de oppasser hiervan waarschijnlijk een schrikwekkend beeld heeft opgehangen. Hoe dan ook, Vader, die niets bij zich had om zich te legitimeeren, zag zich genoodzaakt naar de haven terug te gaan.
Een neef van ons, Kapitein van de Administratie, C. Dekker, die toen ook te Batavia woonde, kwam den 2den dag na het droevig gebeuren bij ons en ook niet anders wetende of Vader was verdronken, deelde hij ons mede gehoord te hebben, dat de laatste boot, die kruiste op de plaats van het ongeluk, dien dag te Batavia zou binnenkomen. “En”, zeide hij, “voor alle zekerheid ga ik naar de haven. Als je Vader er is, breng ik hem eerst bij mij thuis, want hij zal zich eerst willen opknappen en ik woon vlak bij de haven. En dan breng ik hem zoo gauw mogelijk hierheen.” Nu woonde mijn zuster op den hoek Gang Scott en Koningsplein. “Laten we nu zóó afspreken,” zei mijn neef, “als ik je Vader meebreng, dan kom ik van den rechterkant van het Koningsplein, maar als hij er niet bij is, dan zal ik den linkerkant rijden, dan kunnen jullie je er vast op voorbereiden, als je het rijtuig ziet aankomen.”
Dien morgen dachten mijn zuster en ik er niet aan, naar de mandikamer te gaan; wij zaten in de voorgalerij en onze oogen zochten voortdurend het Koningsplein. En ja, daar kwam een milord (klein rijtuigje) aan, maar, o schrik, van den linkerkant. Angstig keken wij elkaar aan, maar juist toen ik er iets van wilde zeggen, zag ik iemand op de treeplank staan, die hevig met zijn stroohoed zwaaide en toen begrepen we, dat dit beteekende: hij is er toch!
De wagen hield voor de trap stil en Dekker sprong er lachende uit. Hij had in de vreugde de geheele afspraak vergeten. Vol spanning keken we toe hoe Vader moeilijk uit het rijtuig stapte. Als een oude man liep hij de 6 treden hooge trap op en op de bovenste trede sprak hij de gedenkwaardige woorden: “Ziezoo, de Atjehneezen wilden me niet, de haaien lustten me niet, dus daar ben ik weer!”
Over het gebeurde zelf was hij niet spraakzaam en als we wat vroegen, gaf hij korte antwoorden. Zijn zenuwgestel had ontzettend geleden, vooral ook, daar hij toch al ziek uit Atjeh was weggegaan.
Ik weet nog, dat Vader mij vroeg om met gespreide vingers door zijn haar te gaan en toen ik dat deed lagen er allemaal zoutkristallen tusschen en op mijn vingers. Later op den dag, toen mijn zuster een toekang pidjit (masseuse) uit den kampong liet komen om Vader’s stijve, pijnlijke ledematen los te masseeren, liet hij ons roepen en zagen wij, dat zijn geheele rechterzijde van oksel tot heup wel rauwe biefstuk leek, geheel ontveld als het was door het heen en weer slaan van de deur in het woelige zeewater. Ook de wond op zijn jukbeen, waar de krab zich had vastgeknepen, was nog open en zeer pijnlijk. Bij onderzoek constateerde de dokter, dat nog 2 ribben waren ingedrukt.
Vader wilde zoo gauw mogelijk met mij naar Moeder in Salatiga gaan, maar had geen papieren of iets van dien aard, waarop hij passage kon bespreken. Hij vernam echter, dat er den dag na zijn aankomst een boot naar Semarang zou vertrekken en ging met den kapitein het geval bepraten. En nu is het wel de vermelding waard, dat de kapitein direct zeide: “Majoor Boom, mag ik dan het genoegen hebben, uit naam van de N. I. Stoomboot Maatschappij, U en Uw dochter 1ste klasse passage aan te bieden, om goed te waken, wat een collega heeft misdaan?”
Zoo kwamen Vader en ik 3 dagen later bij Moeder die van het geheele gebeurde op de hoogte was gehouden door mijn a.s. zwager, 2e Luitenant van de Cavallerie, Jhr. van Geen, die driemaal per dag te paard naar Toentang reed, om haar de laatste berichten over te brengen.
Er had een feestelijke ontvangst plaats, want de Overste van de Cavallerie, de heer Koenen, en vrijwel alle Officieren uit het kampement, kwamen Vader gelukwenschen. Toch was hiermee de ellende van de schipbreuk nog niet geleden. Vader werd enkele weken later benoemd tot Militair Commandant van Celebes en onderhoorigheden en te Makassar geplaatst en daar heeft hij nog 3 maanden geleden aan 6 of 7 kwaadaardige zweren en bloedvinnen, in hoofdzaak op rug en beenen, zoodat hij den eersten tijd voorover liggende op bed de verschillende dienststukken moest teekenen. De Officier van Gezondheid bij de Marine, de heer van der Hegge Spies, heeft hem er ten slotte afgeholpen.
Ook psychisch had hij het nog zwaar te verantwoorden. Den eersten tijd werd Moeder herhaaldelijk ‘s nacht opgeschrikt door het gillen en angstig geroep van Vader, die dan weer droomde van de schipbreuk, en ook overdag had hij telkens visioenen van verdrinkende menschen. Eigenlijk had Vader na het doorgestane lijden een verlof moeten hebben voor herstel van gezondheid, maar het werd hem niet aangeboden en nooit heeft hij om iets willen vragen. Eerst veel later, toen Vader, na een nieuwen zwaren diensttijd in Atjeh, met pensioen gerepatrieerd was, is hij geheel van al de gevolgen der schipbreuk hersteld en heeft hij nog gezond verscheidene jaren met ons te Haarlem geleefd."
Aanvullende informatie
- Geertruida Carelsen was een alias voor de Nederlandse schrijfster Amy Geertruida de Leeuw, geboren op 10 April 1843 te Haarlem en aldaar overleden op 4 Juni 1938. In 1888 verhuisde zij naar Engeland alwaar zij zich tot journaliste ontwikkelde. "Na Engeland voerde de weg haar naar Duitschland. Nu was zij aan verschillende Nederlandsche couranten verbonden en in de ‘Herinneringen’ wijdt zij menig bladzijde aan dezen Duitschen journalistentijd, die vol emotie en belangwekkende dingen moet zijn geweest. Haar langdurig verblijf aldaar maakte haar ten leste tot een bekende persoonlijkheid. Er had zich een groote kring van vrienden om haar gevormd; zij werd de vraagbaak van velen; en nieuwelingen zelfs werden geregeld naar haar toe gezonden, een omstandigheid die haar den bijnaam van ‘onzen Hollandschen consul’ bezorgde." (Bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1942, p. 106). Het was door haar rol van "consul" voor beginnende schrijvers dat haar plaatsgenote Mida Schutte-Boom zich tot haar wendde voor advies.
Toekoe Oemar was een Atjeehse verzetsstrijder van adellijke afkomst tijdens de koloniale oorlog die het Koninkrijk der Nederlanden voerde met het doel Atjeh op het eiland Sumatra toe te voegen aan Nederlands-Indië. Hoewel Atjeh op een gegeven moment formeel al was geannexeerd werden Teukoe Oemar en andere lokale leiders in 1883 omgekocht met opium, geld en wapens in ruil voor toezegging van steun aan Nederland tijdens de daarop volgende "politionele acties". Oemar verkreeg de titel panglima prang besar (opperste strijdheer van de regering) van Batavia, en nam een Nederlandse naam aan: hij noemde zichzelf nu Teuku Djohan Pahlawan (Johan de dappere). Op 1 januari 1894 verkreeg Oemar officieel toestemming een leger op te zetten. Twee jaar later echter viel Oemar de Nederlanders aan, nadat hij zich weer aan de Atjehse zijde had geschaard. Dit werd in Nederland bekend als Het Verraad van Teukoe Oemar, waarbij erg veel Nederlandse militairen omkwamen in een waar bloedbad. Oemar sneuvelde uiteindelijk in 1899. (Bron: Wikipedia)
- Het schip de "Lt.-Gen. Kroesen" heette, voordat het in 1873 in handen van de Nederlands Indische Stoomvaart Maatschappij (N.I.S.M.) kwam, de Earl Canning, genoemd naar Earl Charles John Canning (1812-1862). Het verging zoals hierboven beschreven in 1876 in de Baai van Lagunda. (Bron: Engines of Empire, Steamshipping and State Formation in Colonial Indonesia, door J.N.F.M. à Campo, p. 643)
|