Genealogie De Wilde
Welkom
Ridder in Utrecht

Willem van Voorne (geboren ca. 1130)

efwwfwf

De Sint Stefanusabdij te Oudwijk

"St. Stevensabdij Oudwijk (1570)Oudwijk wordt omstreeks het jaar 600 door de Friezen op de Franken veroverd. Aanvankelijk is het niet veel meer dan een gedeeltelijk stenen fort te midden van onontgonnen veenmoerassen. Later beslaat Oudwijk het hele zogenoemde Oudwijkerveld, het gebied tussen Buurkerk, Biltstraat en Abstederdijk.

Rond 1130 sticht Mathilde, burggravin van Utrecht, er de Sint Stevens Abdij. De abdij die in 1170 plechtig gewijd wordt, wordt bewoond door adellijke nonnen van de Orde der Benedictinessen. Als de stad in 1527 in opstand komt tegen de bisschop Hendrik van Beieren, wordt de hulp van de Hertog van Gelre ingeroepen. Een bende Gelderse ruiters neemt bezit van de abdij en de nonnen verhuizen na veel omzwervingen naar Leiden. In het voorjaar van 1528 verzamelt de Gelderse veldheer Maarten van Rossum zijn troepen op het Oudwijkerveld. Ze dringen van daaruit ver Holland binnen. Uit wraak vallen de Hollandse troepen het Sticht binnen, waar ze zich legeren in de Abdij Oudwijk. Daarbij gaan enkele gebouwen in vlammen op.

S. Stevensabdij Oudwijk (1710-1730)Karel de Vijfde neemt in 1528 de wereldlijke macht over de stad van de bisschop over. Als in 1577 de prins van Oranje weer erkend wordt als stadhouder van Utrecht, wordt de stad versterkt met vijf bolwerken. Alle gebouwen buiten de stad worden gesloopt, omdat anders de vijand zich daarin zou kunnen verschansen. Zo wordt de abdij in 1584 grotendeels afgebroken en worden de resten omgebouwd tot wat later het buitenhuis Oudwijk wordt. Vanaf 1663 wonen verschillende vooraanstaande Utrechters in het huis, waarvan de meest beroemde toch wel Hyronimus van Alphen was." (Bron: Website www.oudwijk23utrecht.nl van de bewoners van Oudwijk 23, het adres van de voormalige H. Hartkerk)

“In het Sticht [verrees] de adellijke S. Stevensabdij van Oudwijk als eerste volledig autonoom en geprivilegieerd benedictinesser klooster even beoosten de stad Utrecht ter plekke van het huidige pand Oudwijk 19 en de voormalige H. Hartkerk. Volgens een officiële akte van de latere bisschop Godfried van Rhenen is de S. Stevensabdij in 1135 opgericht door burggravin Mechteld, weduwe van Arnold, burggraaf van Utrecht, op grond die haar eigendom was…

Vooral in deze abdij Oudwijk heerste in de beginperiode diepe vroomheid. Abdis Sophia (ca. 1160-1173) had als raadsvrouwe de beroemde visionaire en mystieke abdis Hildegard van Bingen. Die zette overigens wel een rem op het fanatisme van Sophia. Hildegard raadde Sophia af om zich als kluizenares te laten inmetselen, maar raadde haar aan gewoon leiding te blijven geven aan de verdere bloei van de abdij. Nog vóór het jaar 1164 schonk Hendrik Troibant, kannunik van S. Pieter te Utrecht, behorend tot de religieuze Utrechtse kring rond Hildegard van Bingen, aan abdis Sophia en haar medezusters een halve hoeve in het veen bij Utrecht en nog 7 morgen land bij Vleuten. De abdij stond al vrij snel onder de bescherming van keizer Frederik Barbarossa. Enige tijd later kreeg de abdij een grote en belangrijke kloosterkerk. Deze werd in 1173 gesticht en begiftigd door Willem van Voorne en zijn vrouw Rysela, die een bijzondere band met het convent hadden, omdat hun dochter Hedwig er lid van was.

Het bijzondere van de stichting van de S. Stevensabdij was voorts, dat deze niet paste in een bepaald filiatie-verband, dus noch gesticht is vanuit een andere abdij, noch op haar beurt zelf een abdij heeft gesticht. Bisschop Godfried van Rhenen, ook behorend tot de kring van Hildegard van Bingen, heeft in 1174 de abdij onder zijn voogdij en bescherming genomen, en de vrijheid van de abdij en de vrije abdisverkiezing expliciet geformuleerd.

De reeks vrije abdis-verkiezingen werd in 1414 voor eenmaal onderbroken toen vertegenwoordigers van bisschop Frederik van Blankenheim iedere non afzonderlijk om haar keuze vroegen, en daarna vaststelden wie bij meerderheid van stemmen tot abdis was gekozen." (Bron: De kerk en de Nederlanden, door C. Dekker en E.S.C. Erkelend-Buttinger, p. 154-155)

Het Huis van Voorne

Kasteel Voorn 1698 (Prent van Jan van Vianen naar een tekening van Caspar Specht, eind 17de eeuw, uitgegeven door Caspar Specht in 1698. De prent is afkomstig uit: De Ridder-Matige Huysen en Gesighten in de Provincie van Utrecht Getekent en in t' Licht Gebracht door C. Specht tot Utrecht Ao, 1698. Deze prent behoort tot de Atlas Coenen van 's Gravesloot. Bron: Het Utrechts Archief)Het terrein van Voorn neemt de hoek in tussen de Oude Rijnbedding en de in de 17e eeuw gekanaliseerde Leidse Rijn. De Oude Rijn begon vanaf Voorn de zeer bochtige weg via Vleuten naar Harmelen. Aan de oever bevonden zich andere ridderhofsteden als Vleuten, Bottestein en Den Ham. De Leidse Rijn sneed al deze bochten af.

Hoewel de families Van Voorn en Taetse van Voorn al in de 12e en 13e eeuw voorkomen, is een band met het huis Voorn onzeker. Door veel auteurs wordt geschreven dat een Willem van Voorn op deze plek reeds in de 12e eeuw een boerderij zou hebben gehad. Ook zou hij de stichter zijn van de abdij Oudwijk, buiten de stad Utrecht. Hoe dit ook zij, in 1173 wordt een Willem vermeld, stichter van de Oudwijker abdijkerk. Hij schonk een hoeve land aan de Meern nabij de Rijn. De vermelding van Willem in combinatie met een hoeve houdt echter nog niet in dat de latere ridderhofstad een voortzetting was van deze hoeve. Zeker niet als deze hoeve door schenking uit het eigen vermogen werd vervreemd. In een oorkonde van een jaar later worden Willem van Voorn en zijn zoon Gerard als getuigen genoemd. Pas in 1274 wordt een perceelland gelokaliseerd 'tegenover het huis van heer Arnold genaamd Taetze, ridder'. Het perceelland behoorde aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht maar werd geruild tegen een perceel in Amelisweerd, toebehorend aan de Ridderlijke Duitse Orde Balije van Utrecht.

Kasteel Voorn (1749) zijaanzichtKasteel Voorn (1749) vooraanzichtHet kapittel van Oudmunster was in Vleuten met zeer veel grond en rechten begeven; ook het land tussen de twee Rijnarmen in behoorde Oudmunster toe. Het huis Voorn was een leen van de proosdij en werd in elk geval in 1395 in leen gehouden door Gerrit van Voorn. Het leen omvatte de hofstede met een halve hoeve (acht morgen) met gerecht, tijns en tiende.

Leenbrieven vanaf 1458 betrekken in hun opsomming ook nog een duifhuis en een molen. Dit leen vormde de kern van het goed Voorn. Zweder van Voorn, die sinds 1456 na zijn broer Gerrit het huis in leen had, stierf in 1473. Zijn zoon was tot 1497 de heer van Voorn. Hillegond Taets van Voorn -de dubbele naam Taets(e) van Voorn komt geregeld voor-, dochter van Zweder, volgde haar broer op. Zij was gehuwd met Jan uten Ham, die op dat moment heer van Bottestein was. Na de dood van Jan hertrouwde Hillegond met Zweder van Zuylen. In het jaar 1539 werd Voorn toegevoegd aan de lijst van erkende ridderhofsteden.

Kasteel Voorn (1835)In een akte van 23 januari 1537 werd bepaald dat na de dood van Hillegond -de laatste telg uit het oude geslacht- het huis Voorn met toebehoren moest komen aan edele telgen uit de familie De Wael van Vronesteyn. Er ontstond onenigheid en Hillegond zelf droeg in 1546, een jaar voor haar dood, het goed Voorn aan de proost van Oudmunster op, ten behoeve van Lubbert van Parijs van Zuidoord. Hij was een zoon van de burgemeester van Utrecht, Adriaen van Parijs van Zuidoord, en wist het ook zelf tot burgemeester van Utrecht te brengen. Uit 1585 is een pachtcontract bewaard waaruit blijkt hoe de grond door de eigenaar werd geëxploiteerd. De pachters moesten een zware pacht opbrengen, bestaande uit een forse som geld, pachtkapoenen, boter, eieren, een ram, een schaap, en dit alles voor het pachten van de nabije landerijen van de hofstede Voorn. Verder moesten de pachters het hele goed bestieren, de opstallen onderhouden en eens per jaar de eigenaar per wagen uit zijn residentie ophalen en naar Voorn brengen. Deze bepalingen wijzen in de richting van een grootgrondbezit met hofdiensten, maar er zijn echter onvoldoende bronnen om dit met zekerheid te kunnen vaststellen.

Na Lubbert van Parijs van Zuidoord werd diens zoon Johan beleend (1607), die twee jaar later Voorn overdroeg aan zijn zoon Tyman. Tyman huwde Wilhelmina van Riebeeck, vrouwe van Jutphaas en Rijnhuizen. Zij verkocht in 1608 de ambachtsheerlijk van het Nedereind van Jutphaas en in 1620 het
kasteel Rijnhuizen, terwijl Tyman zelf in 1612 het kasteel Voorn verkocht aan Cornelis van Resand voor 19.000 gulden.
Kasteel Voorn (naar Liender)Cornelis was getrouwd met Alida van Parijs van Zuidoord, dochter van Johan en zuster van Tyman. Cornelis was geen financieel genie en reeds in 1615 moest hij het huis Voorn met landerijen en de 'vermaerde Herberghe met den Bomgaert daeraen staende aen den Voornschen Dam' verkopen. De nieuwe eigenaar werd Cornelia de Malapert, echtgenote van Jacob Godin. Hun dochter Maria Godin was gehuwd met Pieter van Panhuys, schepen van Antwerpen, en droeg Voorn in 1640 op aan haar zoon Bartholomeus van Panhuys. Hij was onder andere hoofdschout van Amersfoort, president van het Hof van Utrecht en overleed in 1676. Zijn kleinzoon Johan Lodewijk kreeg Voorn in 1647, die zich tot 1683 in het bezit kon verheugen. Belast met grote schulden zag hij zich genoodzaakt het goed te verkopen. De bekende Utrechtse klokkengieter François Hemony kocht het goed en deed het op zijn beurt over aan zijn gelijknamige zoon. Deze François overleed in 1726.

Door schout en schepenen werd zijn nalatenschap op 13 november 1726 getaxeerd, waarbij het riddermatige huis te Voorn met zijn plein, koetshuis en dergelijke werd geschat op 7.500 gulden. Daarbij waren inbegrepen enkele achterlenen, enkele kleinere percelen en een stuk land van 12 morgen met lanen, hoven, boomgaarden; deze 12 morgen waren evenals het huis en de halve hoeve waar het op stond leenroerig aan de proosdij van Oudmunster.
Ook na de dood van François Hemony kwam er geen einde aan het snel wisselen van het aantal eigenaren van het huis Voorn. Vier jaar lang was Bernard Joseph van Kuyck de bezitter, wiens weduwe het verkocht aan Pieter Theodoor van Herzeele. Ook hij was niet lang bezitter, want per decretale verkoop werd Jan Sadelijn de nieuwe eigenaar. De voogden van zijn kinderen verkochten het huis in 1743 aan Diderik van Lockhorst, heer van
Ter Meer en Maarssen.
Kasteel Voorn (1851)Johanna Maria, een dochter uit zijn huwelijk met Maria Catharina van Tuyll van Serooskerken, droeg Voorn weer op aan de proosdij van Oudmunster (1765). Nu kwam het aan Petrus van der Hage, die getrouwd was met Petronella Sibilla Sadelijn, een dochter van de reeds genoemde Jan Sadelijn. Op 2 september 1796 werden de door Petrus nagelaten goederen getaxeerd. Het huis Voorn, gelegen 'aan den Rhijn genaamd de Leijdse Vaart, bij de stadsdam, met de leen en daar aan behoorende, bestaande in een heeren huizinge, met een staande horologie, koetshuisen, stallinge, orangehuis, tuinmans en daghuurders wooning met het boomgaardje daar achter, als mede de bepootinge en beplantinge daar op staande, en wel speciaalijk met de vrije laan, geleegen agter voorsz. huizinge, strekkende uit de Leijdse Vaart, tot aan de Hoogeweidse Dijk toe', werd 14.000 gulden waard bevonden. De halve hoeve die er vanouds bij behoorde werd getaxeerd op 2.400 gulden. Het kasteel werd krachtens testament aan zijn weduwe vermaakt.

Zij liet Voorn na aan de drie jonkvrouwen Van der Dussen. De drie zusters verkochten de goederen aan Anthonie Mangelaar Meertens. Deze emigreerde naar de Engelse plaats Bath en liet in 1829 het landgoed en de ridderhofstad Voorn ter grootte van 17 bunders verkopen. Samen met andere landerijen, voor het grootste deel voormalige Domeingoederen, leverde de verkoop 100.000 gulden op. Het transport vond plaats te Glasgow ten behoeve van zijn weduwe Johanna Hendrica Catharina Slengarve.
Hun zoon Henri George Ferdinand Meertens verkreeg het goed in 1831 als enige erfgenaam. Hij was gehuwd met de weduwe Martens, die uit haar eerdere huwelijk drie zonen en twee dochters had. Henri overleed in 1868 op het landgoed Voorn en liet een zoon en zes dochters achter. Hij is niet op het kasteel zelf gestorven, aangezien dit in 1851 werd gesloopt. Zijn zoon Henri Willem, die hem in 1873 opvolgde, liet aan het begin van de oprijlaan een voor die tijd modern herenhuis bouwen. Aangezien Henri Willem in 1902 ongehuwd overleed, werd zijn nalatenschap toegewezen aan Susanna Amelia Martens, de tweede dochter van zijn oudste halfbroer.
Door haar huwelijk met Jan Willem Antoni Barchman Wuytiers, burgemeester van Amersfoort, kwam Voorn in deze familie. Zijn kleinzoon verkocht het landgoed in 1952 aan J.A.F. van Seumeren, die al spoedig door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en architect W. Stooker opgravingen naar het huis Voorn liet verrichten. Plannen om het kasteel te herbouwen gingen vanwege het overlijden van de eigenaar niet door.

Over het oudste huis is niets bekend, behalve dat delen waren opgenomen in het 17e-eeuwse huis. Uit de in 1952/53 uitgevoerde opgravingen werd duidelijk dat de linkervleugel was opgetrokken in een baksteenformaat van 28 x 14 x 8 en 27 x 12 x 6,5 cm, een formaat dat wijst op een datering in de tweede helft van de 14e eeuw. De oudste afbeelding van het huis Voorn dateert uit 1615, een gravure op het aankondigingsbiljet van de openbare verkoop. Hierop is een huis van twee haaks op elkaar staande vleugels van meerdere bouwlagen onder zadeldaken met bakstenen trapgevels te zien. De L-vormige plattegrond is niet binnen de gevonden fundering aan te wijzen, waardoor we er voorlopig van uit moeten gaan dat de oudste afbeelding geen getrouwe weergave vanhet huis is.
Een ingrijpende verbouwing moet rond het jaar 1630 hebben plaatsgevonden. Aernout van Buchel schrijft in zijn dagboek eind mei 1634, dat hij vanuit de trekschuit het huis Voorn zag, zoals het door de toenmalige bezitters onlangs was verbouwd. Het schetsje dat hij maakte zegt helaas weinig; het laat alleen zien dat het nieuwe huis twee tentdaken heeft met dakkapellen. Wel is dit genoeg om te kunnen zien dat het inderdaad gaat om het huis zoals we dat kennen door de tekening van Roelant Roghman uit 1646/47 en zoals het tot 1851 heeft bestaan.

Aan de hand van een groot aantal 17e- en 18e-eeuwse afbeeldingen, een opmeting gemaakt voor de afbraak in 1851 en de opgravingstekening uit 1952/53 is een beeld te vormen van het huis zoals Van Buchel het zag. Het had een breedte van 20 m en een diepte van 14 m en bestond uit twee evenwijdige vleugels, die voorzien waren van zeer steile schilddaken, die het mogelijk maakten dat in de kap twee vlieringen konden worden aangebracht. Het geheel onderkelderde huis had verder een bel-etage en een verdieping. Op de scheiding tussen de beide vleugels waren zowel aan de voorzijde als de achterzijde torens aangebracht. De toren aan de voorzijde was voorzien van een 5/8 sluiting en bekroond met een helm. In deze toren was de trap tussen de kelder en de bel-etage opgenomen.
Links naast de toren bevond zich de ingang tot het huis. Tegen de naar de Groenedijk en de oude Rijnloop gewende en derhalve waarschijnlijk symmetrisch ingedeelde achtergevel bevond zich een paviljoentoren. Deze had een vierkante grondvorm, maar ging ter hoogte van de daklijn over in een achtkantige vorm. Ter hoogte van de overgang was een overkragende omloop gesitueerd. Terwijl de rechtervleugel direct uit het water oprees, was de linkervleugel voorzien van een brede kade, die het huishouden ten dienste zal hebben gestaan, waarop ook een eenvoudig botenhuis wijst.
Het is derhalve niet verwonderlijk dat de grote zaal aan de rechterzijde van het huis was gesitueerd; deze had een afmeting had van 6 x 9 m. Deze zaal was toegankelijk via een 4 m brede vestibule achter de ingang. In deze achterwand voerde een rechte steektrap naar de verdieping en een gang naar de ruimte in de achtertoren. De linkervleugel kende een appartementindeling: aan de voorzijde een antichambre en aan de achterzijde de chambre. De ruimten achter de zaal waren minder belangrijk, want deze konden niet verwarmd worden. Op de verdieping, die in grote lijnen dezelfde indeling had als de bel-etage, zullen zich verdere slaapvertrekken hebben bevonden.

1274 heer Arnold Taetze, ridder
1395 - 1456 Gerrit van Voorn
1456 - 1473 Zweder van Voorn
1473 - 1497 zoon van Zweder van Voorn
1497 - 1546 Hillegond Taets van Voorn, getrouwd met Jan uten Ham
1546 - 1607 Lubbert van Parijs van Zuidoord
1607 - 1609 Johan van Parijs van Zuidoord
1609 - 1612 Tyman van Parijs van Zuidoord
1612 - 1615 Cornelis van Resand
1615 Cornelia de Malapert, getrouwd met Jacob Godin
- 1640 Maria Godin, getrouwd met Pieter van Panhuys
1640 - 1676 Bartholomeus van Panhuys
1647 - 1683 Johan Lodewijk van Panhuys
1683 François Hemony (sr.)
- 1726 François Hemony (jr.)
1726 - 1730 Vier Bernard Joseph van Kuyck
1730 Pieter Theodoor van Herzeele
- 1743 Jan Sadelijn
1743 Diderik van Lockhorst
- 1765 Johanna Maria van Lockhorst 1765 - 1796 Petrus van der Hage
drie jonkvrouwen Van der Dussen
- 1829 Anthonie Mangelaar Meertens
1831 - 1868 Henri George Ferdinand Meertens
1873 - 1902 Henri Willem Meertens
1902 Susanna Amelia Martens getrouwd met Jan Willem Antoni Barchman Wuytiers
1952 J.A.F. van Seumer
en

 

Garde d'honneur onder Napoleon
Chirurgijn in Gouda
Ridder in Utrecht
Rector Latijnse School
Watergeus van Oudewater
Drukker uit Friesland
Koloniste in Ommerschans
Schipbreukeling in Indië
IntroHomeStamboomBiografieënFamiliewapensFotoalbumPlaatsenMormonenDankwoordOver mijContactCopyright