Johanna Oosthuizen ( 1782-1855)
Mijn oudgrootmoeder Johanna Oosthuizen werd op 15 december 1782 te Zwolle geboren als dochter van Anthonie Oosthuizen en Joanna Grons. Zij huwde op 6 november 1806 te Zwolle met Adolf Vredeveld. Samen kregen ze voor zover bekend drie kinderen. Johanna overleed op 11 september 1855 te Zwolle. De burgerlijke stand vermeld dat zij in 1835 in de straf- of bedelaarskolonie Ommerschans zat.
De Maatschappij van Weldadigheid
.jpg)
"Wij gaan terug in de tijd naar de winter van 1798, Amsterdam telde toen op een bevolking van 200.000 zielen ruim 80.000 behoeftigen. Zes jaar later behoorde de helft van de bevolking tot de bedeelden. De invloed van de Franse bezetting doet zich duidelijk gelden. Ook na het verdrijven van de Franse bezetters in 1813 wordt de situatie er niet beter op.
Voor generaal Johannes van den Bosch aanleiding om een 'verhandeling' te schrijven over de vestiging van een landbouwkolonie in Noord-Nederland. De Verhandeling, ingegeven door de diepe behoefte om de armoede in Nederland te bestrijden, verschijnt in 1818 en kan rekenen op een brede belangstelling. De steen in de vijver is geworpen....
Nederland telt dan bijna 200.000 behoeftigen op een totale bevolking van zo'n twee miljoen zielen. Van den Bosch meent dat 75 procent van de behoeftigen tot arbeid in staat moet zijn. Het stichten van een landbouwkolonie als duurzaam middel om de armoede te bestrijden, kan rekenen op steun van Koning Willem I. De Maatschappij van Weldadigheid wordt op 1 april 1818 opgericht en Van den Bosch kan zijn gedachten daadwerkelijk vorm gaan geven.
Drie maanden nadat de inschrijving was opengesteld telde de Maatschappij al bijna 15.000 leden. Nog weer twee maanden later bedrag het ledental al meer dan 17.000. Aan draagvlak geen gebrek dus. Per lid werd er 5 cent per week bijgedragen.
De oprichting van de Maatschappij kreeg op 5 maart 1818 de instemming van Koning Willem I. Hij maande overigens wel tot voorzichtigheid bij het 'fabricerende' deel van het plan. Men moest zich maar beperken tot het vervaardigen van linnen om de kolonisten ook in de winter bezig te houden. Van den Bosch wachtte na deze instemming geen moment en stichtte de proefkolonie. Het landgoed Westerbeeksloot in Zuid-West Drenthe werd aangekocht. Woeste grond die met hulp van boeren uit Vledder werd bewerkt. Op 25 augustus kon de generaal de eerste steen leggen voor het eerste koloniehuisje.
De proefkolonie werd gevestigd aan de weg van Steenwijk naar Vledder. Het huidige Hotel Frederiksoord bestond toen al als logement. De bouw van de koloniehuisjes verliep vlot. De woningen werden opgetrokken uit steen en gedekt met riet. Een woonruimte van 20 vierkante meter en twee bedsteden werd later uitgebreid met een houten achterhuis dat als stal en schuur kon worden gebruikt. Al in november 1818 konden de eerste 52 gezinnen worden ontvangen. Alhoewel de kolonisten eerst in Vledder 'kerkten' bleek dat al snel te klein. Rond 1850 kon men beschikken over eigen kerkgebouwen voor zowel protestanten als katholieken. In 1837 was er al een synagoge gesticht in de kolonie Willemsoord.

Bij de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid had koning Willem I bepaald dat men zich in de koloniën ten aanzien van de ‘fabricerende arbeid’ moest beperken tot het spinnen en weven van de kleding voor de kolonisten. In de ‘spinne- en weeverijen’ waren voornamelijk vrouwen en kinderen aan het werk die geen zware (veld)arbeid aankonden. Geleidelijk aan groeiden ook het aantal eigen werkplaatsen voor timmer- en schilderwerk, beschikte men over een eigen steenbakkerij en over een eigen kalkoven. Naast de voorziening in eigen behoeften was dat een goede leerplek voor jonge kolonisten.
Aan onderwijs heeft de Maatschappij vanaf het begin veel aandacht besteed. Al in december 1818 waren er twee klassen met leerlingen vanwege de grote animo. Met name de avondschool werd druk bezocht. Door inzet van meester Wolda steeg de ‘kolonieschool’ tot grote hoogte. Dat leidde niet alleen tot applaus maar ook tot kritiek. Immers: worden mensen die bestemd zijn achter de ploeg te lopen niet ontevreden met hun lot als ze veel leren?
Kinderen van 5 tot 12 jaar volgden verplicht 5 dagen per week onderwijs. Boven de 12 jaar was men verplicht respectievelijk drie- of tweemaal per week de avondschool te bezoeken. Het aantal scholen in de koloniën groeide snel. Zo werd er o.a. een brei- en naaischool ingericht, maar ook een tekenschool, kookschool, een opleiding tot drukker of administratief medewerker.
Na het gereedkomen van kolonie I (Westerbeeksloot) besloot het bestuur van de Maatschappij een tweede kolonie aan te leggen, nu ten noorden van de weg Steenwijk-Vledder. Op 16 augustus 1819 werd door mr. J.C. Faber van Riemsdijk de eerste steen voor de huisjes van kolonie II gelegd, waarmee het koloniedorp Frederiksoord werd uitgebreid. Deze woningen waren wat ruimer van opzet dan in kolonie I. Zo werden er bedsteden gecreëerd en was er een extra slaapkamer. De aanneemsom voor de eerste tien woningen bedroeg zo'n 2.200 euro.
.jpg)
Vanwege het feit dat de boeren in Vledder hadden aangegeven geen grond meer te kunnen missen, werd kolonie III in de gemeente Steenwijkerwold aangelegd. 'Willemsoord' was in de zomer van 1820 gereed om zijn inwoners te begroeten.
De vierde kolonie werd weer grotendeels op grond behorende tot Westerbeeksloot gevestigd. Het kreeg in 1821-1822 de naam Wilhelminaoord, naar de moeder van koning Willem I.
Kolonie VI werd aangelegd op gronden die deels in Friesland en deels in Overijssel waren gelegen. Deze kolonie werd later bij Willemsoord gevoegd maar bleef in de volksmond 'aan de Vaart' heten.
Kolonie VII werd nooit voltooid. In het Doldersumser veld werden 25 (betere) kolonistenwoningen gebouwd, die in 1824 klaar waren.
In totaal werden er dus tussen 1818 en 1824 zo'n 400 kolonistenwoningen en 20 woningen voor wijkmeesters gebouwd. Voorwaar zeker in die tijd een meesterwerkje!
Al in 1819 had de Maatschappij de beschikking gekregen over het niet meer in gebruik zijnde verdedigingswerk Ommerschans. Van den Bosch kon zijn plan om daar een groot gesticht te bouwen voor zo’n 1.000 tot 2.000 bedelaars tot uitvoer gaan brengen. Rondom de schans werd kolonie V aangelegd. 24 Grote boerderijen waarop kolonisten die in Frederiksoord hun geschiktheid hadden bewezen een plaats als vrijboer zouden krijgen. Het werk op de boerderijen kon dan door de bedelaars worden gedaan onder toezicht van veldwachters. Uiteindelijk zijn er 18 boerenhoeven en 17 veldwachtershutten gerealiseerd.

In 1823 sloot de Maatschappij een 16-jarig contract voor f 180.000 met de Nederlandse regering om 4.000 wezen, 1.500 bedelaars en 500 gezinnen op te nemen. Voor de te plaatsen kinderen werden in Veenhuizen drie grote gestichten gebouwd. Uiteindelijk werden in het derde gesticht bedelaars geplaatst. Het grootste aantal van de naar Veenhuizen gezonden kinderen was afkomstig uit het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam. In 1843 werden de voor kinderen bedoelde gestichten gesloten en voor bedelaars in gebruik genomen. Het tweede gesticht werd in 1869 gesloten.
De bedelaarsgestichten hebben de Maatschappij veel kritiek opgeleverd. Zowel van binnen als van buiten. Tot 1859 bleef de Maatschappij echter het beheer in de dwangkolonies voeren. Dat was het jaar waarin een scheiding tot stand werd gebracht tussen de vrije koloniën en de onvrije, die vanaf dat moment volledig onder de zorg van de staat vielen.
Ondanks de voorspoedige opbouw van de koloniën was er ook sprake van tegenwind tussen 1830 en 1860. De kosten voor de opbouw van de koloniën vielen veel hoger uit dan aanvankelijk was geraamd. Daar bovenop kampte men een aantal jaren achtereen met zwaar tegenvallende oogsten. Ook trachtte men een lening van f 1.000.000 te plaatsen, maar ook dat bracht weinig soelaas. Prins Frederik en Koning Willem I schoten uit particuliere middelen aanzienlijke bedragen voor, maar ook dat kon niet voorkomen dat er twee regeringscommissarissen werden aangesteld die tot de conclusie kwamen dat de Maatschappij ofwel failliet moest worden verklaard ofwel overgenomen moest worden door het Rijk. Johannes van den Bosch voelde daar niet voor en wist deze maatregelen te vermijden.
De tegenslagen bleven komen. In 1844 stierf Van den Bosch plotseling. Eerst op 19 maart 1859 werd door Koning Willem III een regeling gesloten: overdracht van Ommerschans en Veenhuizen aan het Rijk, kwijtschelding van de vorderingen, behoud van de vrije koloniën door de Maatschappij (die in het vervolg als de Vereniging Maatschappij van Weldadigheid zou voortbestaan) en het verlenen van een bijdrage van f 3.650.000 ter aflossing van een groot deel van de schulden. De gereorganiseerde Maatschappij verhuurde voortaan de winkels aan de winkeliers, het koloniegeld werd uit circulatie genomen, 170 kolonisten werden in 1860 tot vrijboer bevorderd. De Maatschappij bouwde zes grote boerderijen, drie in Willemsoord en drie in Frederiksoord Wilhelminaoord." (Bron: Stichting Maatschappij van Weldadigheid, www.mvwfrederiksoord.nl)
De bedelaarskolonie Ommerschans
"In de negentiende eeuw kreeg de Ommerschans, die voor die tijd een fortificatie ter bescherming van de zuidgrens van Groningen, Friesland en Drente was geweest, een nieuwe bestemming. In 1818 was door generaal Johannes van den Bosch het initiatief genomen voor een Maatschappij van Weldadigheid die tot doel had om het groeiend aantal paupers, bedelaars, landlopers, vondelingen en wezen op te voeden tot zedelijkheid en een eerlijk zelfbestaan, door hen onder te brengen in landbouwkolonies.
Met subsidie van Koning Willem I werden de eerste kolonies gesticht op de woeste gronden in zuid-oost Friesland, zuid-west Drente en het noorden van Overijssel. Daar ontstonden de kolonies Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Kenmerk van deze drie kolonies was dat men daar - weliswaar onder toezicht, maar toch in betrekkelijke vrijheid - zelfstandig kleinschalige landbouw kon uitoefenen. De kolonies kregen echter ook te maken met lieden die niet wilden of niet konden werken. Voor hen bedacht men een veel strengere kolonievorm, namelijk een waarin men onder dwang arbeid moest verrichten. Veenhuizen, in het noorden van Drente, was de grootste dwangkolonie van de Maatschappij;
Ommerschans, in het noorden van Overijssel, een goede tweede. Deze kolonie kwam in 1822 gereed. Centraal stond het hoofdgebouw, een twee verdiepingen tellend kloosterachtig vierkant gebouw met een grote binnenplaats en met blinde buitenmuren van 100 meter elk. Dit hoofdgebouw was de verblijfplaats van 1000 tot 1200 bedelaars, die in zalen van 40 a 50 personen waren ondergebracht, naar sexe gescheiden. Over de binnenplaats was een houten hek aangebracht, waartussen wachters patrouilleerden. Op de binnenplaats, maar ook in een reeks van bijgebouwen, waren werkplaatsen ingericht waarin de arbeid moest worden verricht. Het ging daarbij om spinnen, naaien, weven, breien en verstellen voor vrouwen, en om klompen, schoenen en kleren maken voor mannen. Ook was er een smederij, een touwslagerij, een spijkermakerij en een timmerwerkplaats. Vanwege het ontsnappingsgevaar was het complex met een gracht omgeven, met op de hoeken veldwachtersposten. Buiten de gracht lag een twintigtal boerderijen, waar men, onder geleide van een detachement van 25 soldaten, landarbeid verrichtte.
De beloning voor arbeid was nominaal fl. 1.50 per week. Daarvan werd fl. 1,- ingehouden voor kost en werkkleding. De overige 50 cent werd uitbetaald in bonnen die buiten de kolonie geen waarde hadden en dus alleen besteed konden worden in de winkel van de kolonie. Wie niet in staat was om de hele dag te werken werd gekort op zijn uitkering; wie extra werk kon verzetten had de mogelijkheid om meer dan fl. 1.50 verdienen. Wie op deze wijze meer dan fl. 75,- had weten te sparen kon in aanmerking komen om vrijgesteld te worden uit de kolonie.

Ofschoon de kolonie opgericht was ter verheffing en beschaving van de kolonisten, heeft ze deze pretentie maar zeer gedeeltelijk kunnen waarmaken. Er was een schooltje annex onderwijzerswoning op het terrein, maar omdat ook kinderen geacht werden geld te verdienen, en dus te werken, kwam er van schoolgaan niet veel. Ook met de beoogde zedelijke verheffing was het droevig gesteld: het aangebrachte hek tussen de mannen- en vrouwenverblijven, waardoor ook echtparen van elkaar gescheiden waren, had geen enkel effect; volgens bezoekers van de kolonie waren de meeste meisjes zwanger.
Aangezien het aantal overplaatsingen uit de ‘vrije' kolonies achterbleef bij de prognoses, werd al snel een actiever beleid gevoerd om kolonisten naar Ommerschans te krijgen. In 1823 loofde de overheid een premie van fl. 40,- uit voor iedere bedelaar die naar de schans werd gezonden.
Financieel bleken de dwangkolonies van de Maatschappij van Weldadigheid niet op eigen benen te kunnen staan. In 1859 werd het beheer van Veenhuizen en Ommerschans door de regering overgenomen. In 1890 werd de Ommerschans voor afbraak verkocht. Sommige boerderijen werden verkocht aan de bewoners, andere werden, samen met grote stukken grond, enige tijd later gevoegd bij ‘Veldzicht', een opvoedingsgesticht voor jongens dat in 1894 was opgericht." (Bron: Radboud Universiteit Nijmegen, Het Museum van de Vaderlandse Geschiedenis, Onno Boonstra, Nijmegen, 9 mei 2000)
Literatuur:
J. Drent, Bijdrage tot de geschiedenis van Avereest. Dedemsvaart 1978;
K.D. Hartmans, ‘Uit de geschiedenis van de Ommerschans', Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging van Overijssels Regt en Geschiedenis, 45ste stuk, 2de Reeks, 21ste stuk, 1927, 26-39;
C.A. Kloosterhuis, De kolonies van Weldadigheid. Zutphen 1981.
Bezoek van Jacob van Lennep aan Ommerschans
Een tot de verbeelding sprekende beschrijving van de omstandigheden in Ommerschans wordt ons gegeven door de schrijver, taalkundige en politicus Jacob van Lennep (1802-1868). In 1823 maakte hij met zijn studiegenoot Dirk van Hogendorp een voetreis door de Noordelijke -protestante- Nederlanden waarbij hij ook Ommerschans aandeed. In zijn dagboek vermeldde hij het volgende:
"Dingsdag 15 July, Te acht ure verlieten wij het eerste fatsoenlijke logement dat wij tot nog toe gehad hadden en stapten volgens afspraak naar het stadhuis, waar ons de Heer Tobias, die met den bode eene schouw moest gaan doen met een kapwagen afwachtte. Zijne goede harddravers brachten ons met spoed over den Zandweg heen door de groote landerijen, waar de arme lieden uit de stad hun beesten voor eene geringe som laten weiden. Wij zagen de plaats waar men den nieuwen weg naar Meppelt maken wil en kwamen drie uren van Zwol aan de plaats van den heer Van Dedem, aanlegger van het beroemde kanaal dat zijn' naam draagt. Daar wij gemelden Heer een bezoek wilden doen, stapten wij af en bedankten den Heer Tobias voor al zijne beleefdheden. Die gedienstige man herinnerde mij in houding, gestalte, gelaatstrekken, spraak, omgang en vooral zijne vriendelijke en inneemende handelwijze mijn overleden' Oom den Heer Sylvius Van Lennep.
De oude plaats van den Heer Van Dedem doorgewandeld zijnde, kwamen wij aan de nieuw aangelegde. Waar voor twee jaren alleen barre heide was, staat nu reeds welig hout en koren, zijn bloemperken en vruchtboomgaarden aangelegd en prijkt het heerlijk huis, dat, van Vollenhove derwaarts gevoerd, en aangenaam over de vaart hangt. Deze vaart is zeer breed en genoegzaam diep, zoodat mijn reisgenoot in 1819, toen de Smilder en Hogeveensche vaarten onbevaarbaar waren wegens het lage water op deze vaart eene vloot van niet minder dan zeventig turfschepen zeilen zag. Met gunstigen wind kunnen de schepen van de Ommerveenen in een' dag te Amsterdam zijn, daar zij uit de Pekel Colonies komende acht dagen werk hebben, wegens de menigten van sluizen. Desniettegenstaande spreekt bijna ieder ten nadeele over de vaart van den heer Van Dedem, meest uit onkunde of ijverzucht. Het speet ons zeer dat wij hem niet buiten vonden, daar hij ons zeker veel had kunnen verhalen en ten eten zou gehouden hebben.Van zijne buitenplaats wandelden wij twee uren de vaart op en kwamen zoo aan de herberg van Kruizinga, nabij de Ommerschans gelegen. Deze Kruizinga is de rechterhand van den heer VanDedem: hij heeft hem veel geholpen in 't aanleggen der vaart: ook was hij het die voor f 55.000 het gansche gebouw der Ommerschans aannam en in orde bracht. Toen wij bij hem kwamen was hij niet te huis. Zijne vrouw, ons voor landloopers aanziende, weigerde ons logies. Van Hogendorp bestelde dus koffi en liet zich als ontvallen dat het hem speet den heer VanDedem niet tehuisgevonden te hebben: nu zette men groote oogen op: doch toen de kastelein zelve te huis kwam, maakte zich mijn reisgenoot aan hem bekend voor denzelfden, wien hij in 1819 de veenen had rondgereden. Dadelijk keerde het blaadje om. De knecht haastte zich ons de eerste te dienen: de meid ging onze bedden gereed maken: de zuster zette de stoelen, en de vrouw maakte duizend verontschuldigingen dat zij ons niet naar waarde ontfangen had. Wij dronken dus koffi en hoorden Kruizinga over de Ommerschans uit. Zeer aangenaam en onderhoudend was zijn gesprek. Hij is een fraai, vrij gezet man, wiens spreekende oogen en gelaatstrekken eene meer dan gewoone kunde, een vlug en schrander oordeel, eene spoedig gevatte slimheid, ja zelfs een ongemeen genie aantoonen. Daar zijn huis te klein is, laat hij aan de overzijde der vaart een tweede gebouw oprichten. Ingelicht omtrent hetgeen wij weten wilden, trokken wij te twee ure naar de Ommerschans. Eerst liepen wij tien minuten door heerlijke rogge en genaakten zoo het gesticht, dat een vrij aangenaam voorkomen heeft, zijnde met boomen hier en daar overschaduwd, en op een' ouden Schans nog met grachten omringd, opgebouwd. Aan de hoofdpoort zaten eenige soldaten van de bezetting, bestaande uit een luitenant met vijf- entwintig man. Aan de deur werden ons vijf en een halve stuiver entree gevraagd: voor het daarvan komende geld, worden spiegeltjens en dergelijke meubelen gekocht. Op aanraden van Kruizinga, en ook na ons eigen voornemen, vroegen wij naar geen' directeur, maar namen een' Colonist om ons rond te leiden. Deze Colonist was een Belg. Zijne geschiedenis zal nader plaats vinden. -
De binnenplaats is zeer groot en door een hek verdeeld. Dit hek scheidt de wooningen der mannen en vrouwen. Na de timmerplaats gezien te hebben kwamen wij op groote ruime bovenkamers, waar verscheidene vrouwen zaten te breien of te spinnen. Van Hogendorp ondervroeg er eene, en hoorde dat zij te Delft gewoond had, waar zij met naaien en breiden de kost verdiende, doch dat zij had moeten bedelen omdat haar kind ziek was., en zij het niet op de schoot houden kon, terwijl zij werkte. Terwijl zij dit verhaalt plaatst zich een Onderdirecteur achter ons en ziet haar strak in 't gezicht. Van Hogendorp, verontwaardigd dat zijne vragen beluisterd worden, wil beproeven of de vrouw hem zal durven antwoorden en vraagt haar waar zij liever was, te Delft of aan de Ommerschans. De vrouw ziet den Onderdirecteur bedeesd aan, slaat de oogen neder en zwijgt. Van Hogendorp dringt aan op een antwoord, waarop Zij alleen zegt dat het brave lieden zijn die men over haar gesteld heeft. - Doch nu stuift de opzienster der zaal, mede eene Coloniste naar ons toe en roept uit: 'ik wou dat je 't mij vroeg, ik zou wel durven antwoorden'. - 'Welnu, waar waart gij liever?' - 'Wel daar ik van daan kom, liever dan in dit vervloekt gebouw dat ik in de Noordzee wou zien.' Dit gezegde eener vrouw die in een' betere post geplaatst, dien lichtelijk door zulke onvoorzichtige woorden verliezen kon verbaasde en trof ons. - Nu liet de Onderdirecteur, wiens kamer naast deze zaal was ons eenige lijsten zien van hetgeen de menschen verdienden. Hierover zal ik tot beter verstand van hetgeen volgen moet, het een en ander tusschen in voegen.
De algemeene grondregel, welke aan de Ommerschans in acht genomen wordt, is deze: die niet werkt zal ook niet eten. Dus, de Colonist die slechts half werkt, krijgt slechts halve portie, en die in 't geheel niet werkt geene. Elke Colonist boven de 16 jaren moet in de week 30 st. verdienen. Een gulden hiervan wordt voor zijn middagmaal gebruikt, en voor zijne kleeding, uit een zwartgrijs buis met groene opslagen witte knoopen bestaande. De overige 10 st. worden hem betaald in kaartjens van 2 st. waarvoor hij in de winkel der Colonie zijn ochtend- en avondeten koopt. Deze kaartjens hebben buiten de Colonie geen debiet, omdat men aan geen Colonist sterken drank zoude geven, doch de OnderDirecteurs zelve maken hier een schandelijk misbruik van, daar deze de kaartjens onder de waarde opkoopend, den Colonist gereed geld verschaffen en zich zelve met dien woeker verrijken - Volgens de inrichting echter der Maatschappij kan geen Colonist met gewoonen veldarbeid meer dan één gulden verdienen, en moet dus om meer te hebben anderen zwaarderen arbeid verrichten. Zoo werken er sommige in de veenen, waar zij tot negen gulden toe in de week verdienen. - Van hunne oververdiensten wordt hun een derde in gereed geld betaald, een derde blijft aan de maatschappij en het laatste derde gaat in hun bijzondere spaarpot: wanneer een Colonist in zijne spaarpot f 25 heeft kan hij door den kapitein, niet vrijgesteld, maar ter vrijstelling voorgedragen worden en hangt nog van de beslissing des hoofdbestuurs af. Echter krijgt hijzelve geen' inzage van zijne verdiensten en kan dus nergens rekening op maken. Dan, wat gebeurt er? De voeding bestaat grootendeels uit paardeboonen en is dus weinig geschikt voor iemand die zwaren arbeid verrichten moet. Hij nu die met een luttel gelds in de Colonie aankomt, kan zich daarvoor beter voedsel verschaffen, en, is hij daarenboven gezond en sterk, in staat zijn door buitengewoonen arbeid zich staande te houden. Doch iemand die zwak en ziekelijk aan de Ommerschans gebracht wordt, en geen geld heeft, kan geen ander voedsel erlangen, wordt dus hoe langer hoe minder geschikt tot werken, krijgt diensvolgens hoe langer hoe minder eten en teert gestadig meer achter uit. Is hij zoo ziek dat hij heel niet werken kan, of verstaat hij den arbeid niet, dan moet hij dit wederom inwinnen, en het gevolg daarvan is dat hij nooit op gelijken voet kan komen. -
De vrouw welke wij spraken mag met breien niet meer dan 30 st. verdienen, omdat al wat binnen het gebouw gemaakt wordt binnen het gebouw verbruikt moet kunnen worden, en zij anders licht te veel zoude breien: dus zij zit voor haar leven in de Ommerschans, daar zij nooit oververdienen kan. Ditzelfde heeft plaats met die spinnen, hun verdiensten zijn niet geëvenredigd naar den tijd dien zij besteeden moeten. - Kinderen van twaalf tot zestien jaren moeten drie vierde en van acht tot twaalf halve voeding verdienen: dit laatste is volstrekt onmogelijk. - Ook zagen wij het gevolg hiervan in de school waar van de driehonderd kinders slechts een dertigtal aanwezig was, omdat de andere arbeiden moesten. Ook de avondschool wordt niet bezocht, doordien de kinderen van den arbeid te huis komend door vermoeienis niet tot leeren gestemd zijn. Uit de school kwamen wij in eene benedenzaal, waar eene vrouw die zich op het veld overwerkt had zat te kermen van pijn en het gesticht te vervloeken. Naast haar was een akelig uitziend, uitgeteerd mannetje. Deze ongelukkige was oppasser in eene der kamers: zijne voeten bevroren door den harden winter en zijne toonen, hem met nijptangen afgedraaid, waren nog niet genezen, waardoor hij voor zijn' post ongeschikt zijnde dien verloren had, niet meer werken kon, en ex conseq. geen eten meer kreeg. - Van daar bezochten wij eene andere zaal en vonden er eenige vrouwen en kinderen. Eene der vrouwen toonde ons het ochtend en avondeten der kinderen. Hetzelve bestaat uit een half kommiesbrood, niet veel grooter dan twee kadetjens: op hetzelve moesten hare twee spruiten een' ganschen week teeren, en kermden ook van den honger. - Vervolgens bezochten wij de kinderkamer, waar zeven of acht kleinen onder de zeven jaren zaten te spinnen. Eene welgedane, knappe vrouw paste hen als kindermoeder op en tobde met een klein kind op den arm, zoodat zij zelve niet werken kon. Nu sprak Van Hogendorp een jongetje van zeven jaren aan:
Van Hogendorp Hoe komt gij hier, jongetje?
Het kind zucht, antwoordt niet en knipt een traantje weg.
Van Hogendorp Antwoord vrij, waar komt gij vandaan?
Het kind Uit Rotterdam, mijnheer.
Van Hogendorp En wat hadt je gedaan dat je hier gebracht werd?
Het kind Ik had iets gevraagd, mijnheer, en toen pakten de dienders mij op en brachten mij in de gevangenis, en daar heb ik acht weken ingezeten, en toen hebben zij mij hier naar toe gebracht.
Van Hogendorp En wisten je ouders dat je bedeldet?
Het kind Ja mijnheer, mijn vader had het mij belast.
Van Hogendorp Wat deden uwe ouders?
Het kind Mijn vader was lam en mijne moeder werkte voor de lui: maar in de gevangenis heb ik mijne ouders dikwijls gezien. Sints heb ik niets van ze gehoord.
Van Hogendorp tegen een ander kind En jij, jongetje, waar ben jij vandaan?
Het tweede kind Van Amsterdam, mijnheer.
Van Hogendorp En hoe kom jij hier, hebt jij gebedeld?
Het kind Neen mijnheer. Mijn vader werkte aan de landswerf en had mij aan 't werkhuis aangegeven, en vandaar ben ik hier naartoe gevoerd.
Van Hogendorp En weet je vader dat?
Het kind Neen mijnheer. Ik heb nooit iets van hem gehoord.
Van Hogendorp, zich tot de vrouw wendende En jij, vrouw, hebt jij gebedeld?
De vrouw Zoo waar God leeft, neen mijnheer. Ik woonde in met een sergeant, dien ik om de wet over het trouwen van militairen niet trouwen mocht, maar ik werd wegens mijn goed gedrag als zijne echte vrouw beschouwd, en zelfs in deze papieren erkend (zij toonde ons die). Ik was waschvrouw bij het bataillon. Eens ging ik naar den Haag bij mijne zuster die armoedig was om haar wat geld te brengen. Met haar wandelend ging ik eens een' winkel in. Toen werd zij omdat zij bedelde opgepakt. Bij haar keerende en haar voorspraak willende zijn, nam men mij ook mede. Men stuurde ons naar het Bedelaars Huis te Hoorn: ik bleef er negen maanden, werd toen herwaarts gezonden en ben hier al acht maanden. God is een rechtvaardig' rechter en straft maar eens, doch ik wordt tweemalen gestraft om eene misdaad die ik niet begaan heb.
Van Hogendorp En hoe maakt gij het hier. Kunt gij hier iets verdienen?
De vrouw Neen mijnheer. Ik werd door den kapitein als kindermoeder aangesteld en heb het dus beter als anderen, daar ik 30 st weekelijks ontfang: doch gij begrijpt dat ik met dit kleintje op den arm en de zorg voor die andere niet werken en dus niets oververdienen kan.
Van Hogendorp En hoe maakt gij het met het voedsel van de kinderen?
De vrouw de schouders ophalende Ja mijnheer! zij krijten van den honger: enz enz.
Uit deze kamer kwamen wij in de klompenfabriek, waar een jongetje N.B. in een gesticht tot weering der Bedelarij met eene klomp in de hand bij ons bedelde. In eene bovenslaapzaal komende, waar eenige Colonisten zaten, vroegen wij of het hier de ziekekamer was; zoo elendig zagen al de bewooners er uit. Een jongen, achtien jaren oud, trad binnen. Van Hogendorp sprak hem aan.
Van Hogendorp Hoe komt gij hier jongen? Wat hebt gij gedaan?
De Jongen. Ik ben uit Frederiks Oord weggeloopen, achterhaald en hier gebracht.
Van Hogendorp Zoo! gedeserteerd? en waarom?
De Jongen Omdat ik door mijn weesvader mishandeld werd.
Van Hogendorp Zoo? en waar zijt gij liever, hier of te Fredriksoord?
De Jongen ziet rond en zwijgt.
Van Hogendorp Welnu, waar zijt gij liever, spreek vrij!
De Jongen Hier mijnheer.
Wat verder zat een ziekelijk man op een bank neer. Deze was een kameraad van onzen geleider en had 19 jaren als sergeant bij de compagnie gediend waar deze 17 jaren soldaat was geweest. Beide woonden bij Brussel, alwaar men hun diets maakte dat zij aan de Ommerschans eene hoeve zouden krijgen en een goed bestaan. Onder dit voorwendsel bracht men hen derwaarts. De Sergeant verhaalde ons met een bittere lach dat zijne vrouw eene week te voren van wanhoop was omgekomen. Ook toonde hij ons het vleesch, dat de Colonisten driemalen 's weeks krijgen, een stukje niet grooter dan zijne pink. - Op de plaats ontmoette ons bij 't keeren een lange kerel. Deze was de kwakzalver aan welke de negenhonderd zes en negentig zielen die in de Ommerschans woonen, toevertrouwd zijn. Hij is uit Duitschland gebannen en woont bij de vaart in een hol. De president van het geneeskundig toeverzicht te Zwol heeft hem beschaamd gemaakt en doen bekennen dat hij van al de kruiden in zijne recepten alleen de kropsalade kende. Ook hoor ik dat de Gouverneur van Overijssel klachten over hem heeft ingeleverd. Intusschen sterven de Colonisten onder zijne handen. Kruizinga laatst eene zaal binnentredende, vond een' hunner dood tegen de deur liggen.
Met de Godsdienstoefeningen is het elendig gesteld. De Predikant die twee uren van de Schans afwoont komt 's winters niet wegens de slechte wegen en was nu uitlandig zoodat er geen dienst was. 's Winters is er dus ook geene cathechesatie en over 't algemeen zijn de kinderen te vermoeid van 't werken om dezelve bij te woonen. De Roomschen hebben in 't geheel geen' dienst omdat er nog geen gewijde grond is: en de pastoor staat alleen de stervenden bij.
Stilzwijgend zagen wij ons bij 't uittreden aan en knipten eene traan uit de oogen weg. Mijn gemoed was vol: dan na een wijl voortgegaan te zijn zeide ik: 'zullen wij nu nog naar den kapitein gaan?' - 'Voor zeker, zeide VanHogendorp 'doch wachten wij ons afkeuring te laten blijken - Ja, hernam ik den beker tot den droesem leeggedronken!' -
Wij kwamen dus bij den kapitein, een klein man, met een vriendelijk doch eenigzins weemoedig gelaat en Hoogduitsche uitspraak. Hij ontfing ons aan de deur en begon met deze woorden: 'Gij hebt het gesticht gezien? welnu, gij zult er voorzeker veele abuizen gevonden hebben?' Dit begin trof ons en deed ons openhartig met hem omgaan. - Hij bood ons pijpen en zijne vrouw schonk ons thee. - Wij spraken over al de ongelukkigen die buiten hun schuld in de Ommerschans zaten. Nu verhaalde hij ons de volgende gebeurtenissen.
Eenige Groningsche huisgezinnen hadden zich voor de vrije Colonie van Veenhuizen aangegeven, en reisvaardig gemaakt. Door het schandelijkst bedrog voerde men hen naar de Ommerschans: de kapitein maakte hiervan zijn rapport bij de Maatschappij, doch de ongelukkigen deelen intusschen in de elende daar heerschende.
Een reiziger zich buiten 's lands begevende komt 's avonds in een dorp aan: in de herberg geen logies kunnende krijgen vervoegt hij zich bij den Schout. Deze, eene flesch te veel gedronken hebbende scheldt hem voor een landlooper uit. De reiziger toont zijn' pas, zoo men weet, in 't Fransch gesteld. De schout, die taal niet machtig, antwoordt hem: 'wat heb ik met je oude congé uit Franschen dienst te doen.' Hij laat den man vatten en naar de Ommerschans voeren. De kapitein ziet bij de aankomst zijn' pas en maakt zijn rapport, doch de arme reiziger is nog niet vrij.
Eene vrouw van over de zeventig jaren had bij hare dochter een' zak aardappelen gehaald en bracht dien te huis. De veldwachter pakt haar op en zendt haar naar de Ommerschans. Een arbeider bij Brugge, werd van 't werk keerende door geeuwhonger overvallen. Eene vrouw staat hem bij, doch de marechaussée vat hem als landlooper en zendt hem naar de Ommerschans, buiten weten zijner elendige vrouw en kinderen die van gebrek kwijnen en van de hulp des huisvaders verstoken zijn.
Wat de misdaden van diefstal en dergelijke in den Ommerschans nu en dan gepleegd, aangaat, dezelve worden aan den gewoonen rechter niet overgegeven; doch in de Schans zelve wordt de misdadiger ondervraagd, gevonnisd en gestraft. Een rechtbank van zeven persoonen, met den kapitein aan 't hoofd doet uitspraak; deze laatste beschouwt elk wanbedrijf als gepleegd door een der leden van een groot huisgezin, en dus alleen door het hoofd van dat huisgezin strafbaar. Dit doet hij om de ongelukkigen die zich licht door elende of hongersnood gedreven aan eens anders goed vergrijpen zoude voor schande of zwaardere straf vrij te waren. Ook gaf hij deze reden van zijn gedrag toen hij een' jongeling die bij hem aan huis diende en huiswerk verrichte wegens den diefstal van een gouden horologie had laten afstraffen, daar hem de directeur aanklaagde als hebbende een daad van willekeur gepleegd, terwijl zijne handeling uit een edel grondbeginsel voortkwam.
De mannen en vrouwen zijn als ik zeide gescheiden, en de gehuwden woonen niet bij een. Echter heerscht de republiek van Plato en Jan van Leyden, anders gezegd de Vaga Venus hier in den volstreksten zin, zoodat de meeste meisjens zwanger zijn. De jonge lieden van beide kunne gaan gezamenlijk naar het werk, een soldaat moet op vijfentwintig paren passen en er kan licht iets geschieden dat zijn oog ontglipt, wijl verhinderde begeerte te lichter wordt aangeprikkeld. Nadat de kapitein ons deze en veele andere zaken verhaald had, bracht hij ons de velden rond, die de Colonie omringen. In dezelve staan zes boerenwooningen, bewoond door die huisgezinnen welke in Fredriks Oord zich het beste gedragen hebben. Elk hunner heeft veertig morgen lands, acht koeien en de noodige paarden, varkens en schapen. Met de mest van deze dieren en van veertig Schanscolonisten maakt hij zijne akkers vruchtbaar. De rogge en garst stonden hier nog beter dan in Fredriks Oord 't geen ik voornamelijk aan het aanbelendende Dedemsche kanaal toeschrijf. Ook de vlas bloeide heerlijk doch staat niet op nieuwen grond als men ons verhaalde, maar op gewezen' weiland dat te voren aan Kruizinga had toegehoord.
Nadat wij eene der hoeven, die groot en ruim zijn, bezichtigd hadden, nam de kapitein afscheid van ons en verzocht Van Hogendorp zijn' invloed, zoo hij er eenige had, in 't werk te stellen ter verbetering van het gesticht en verlichting van den last die zijne schouderen drukte: dat hij ten minsten niemand dan door een rechterlijk vonnis op de Ommerschans krijgen mocht. Dit alles zeide de brave man met de tranen in de oogen. Zeer geroerd namen wij ons afscheid van hem na drie en een half uur in en om het gebouw doorgebracht te hebben. Deze uren heb ik zeker onder de pijnlijkste die ik immer heb doorgebracht: echter dank ik God, dat ik in de gelegenheid geweest ben deze inrichting zoo naauwkeurig te bezien en zoo wel te leeren kennen: O! dat onze zwakke pogingen het lot dier rampzaligen mochten verzachten en den blinddoek afrukken van de oogen diergenen die met vooringenomenheid oordeelen." (Bron: Jacob van Lennep, Dagboek. Van mijne reis; in 1823 door de provintiën Noord-Holland, Friensland, Groningen, Drenthe, Over-ijssel, Gelderland, Noord-Braband, Utrecht en Zeeland gedaan, van den 28sten Mei tot den 2den September, Vijfde Hoofdstuk, editie: Marita Mathijsen, met medewerking van Karin Hoogeland)
|