Genealogie De Wilde
Welkom
Garde d'honneur onder Napoleon

Jacobus Elisa van Dongen Bolding (1793-1859)

Jacobus Elisa van Dongen Bolding

Mijn oudbetovergrootvader Jacobus Elisa van Dongen Bolding, roepnaam Koos, werd op 5 april 1793 in Gouda geboren. Als zoon van de welgestelde Goudse hoofdofficier en wethouder, Willem Bolding, viel hem in 1813 als 20-jarige de dubieuze eer te beurt om zich als garde d'honneur te voegen bij het leger van Napoleon.

Nederland had toen al zeer rumoerige jaren achter zich. In 1793 werd de Republiek der Nederlanden de oorlog verklaard door de Franse Republiek en in januari 1795 werd de Republiek overlopen door Franse troepen.

In datzelfde jaar ontstond de Bataafse Republiek (1795-1806), in feite een Franse vazalstaat. In 1806 werd de Bataafse Republiek tot het Koninkrijk Holland (1806-1810) uitgeroepen met de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon, als koning. Op 13 juli 1810 volgde de inlijving bij het Franse Keizerrijk.

Napoleon's verlies in Rusland 

In 1812 trok Napoleon met zijn Grande Armée van 655.000 manschappen Rusland binnen. Van de 15.000 Hollandse dienstplichtigen keerden slechts enkelen terug. Naast manschappen, verloor Napoleon ook meer dan 200.000 paarden. Vooral dit verlies van cavalerie was een grote klap voor het Franse leger.
 
In de lente van 1813 verordineerde hij derhalve dat ook de zonen van rijke en voorname families te wapen zouden worden geroepen. Dezen hadden zich tot dusver aan de militaire dienst kunnen onttrekken door remplaçants in te huren. Maar nu moesten zij bovendien hun eigen paard, huzarenuniform en wapenrusting financieren. Door middel van het Franse senaatsbesluit van 3 april 1813 werd een Garde d'Honneur, bestaande uit vier bereden regimenten, opgericht. Uiteindelijk deden in ons land slechts ongeveer 500 geselecteerden dienst als garde d'honneur.
 
De oproep door de prefect
 
Goswin Joseph Augustin, baron de Stassart (1780-1854)Een zinsnede uit de oproepbrief van de prefect, baron de Stassart, van het Département des Bouches de la Meuse (vertaald: Departement van de Monden van de Maas) aan de ingezeten rijkeluiszonen van Zuid-Holland (waaronder Koos) luidde:
 
"Ik heb de eer U te doen weten, Mijnheer, dat ik U heb aangewezen om deel uit te maken van het contingent Gardes d'Honneur, hetwelk het departement van de Monden van de Maas, daartoe door Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit gemachtigd, aan hem mag aanbieden. Opgevoed als gij zijt in de beginselen van de eer zult gij ongetwijfeld zeer verheugd zijn, dat U daarin een loopbaan wordt geopend op een zo strelende wijze en zult U zich haasten gevolg te geven aan het beroep, dat ik op U doe.
Ik verzoek u wel de 23e van deze maand tussen 10 en 12 uur naar de Prefectuur te willen komen. Ik heb de eer U met zeer bijzondere hoogachting te groeten,
 
De auditeur bij de Raad van State,
Prefect van de Monden van de Maas,
Den Haag, 7 mei 1813 w.g. G. de Stassart" 1
 
Ontvangst door de gouverneur-generaal
 
Charles-François Lebrun duc de Plaisance (1739-1824), Frans staatsman die als derde consul diende van 1799 tot 1804, als aartsschatmeester van het keizerrijk van 1804 tot 1814, en als governeur-generaal van Holland van 1811 tot 1813“De Franse autoriteiten hebben ernaar gestreefd de bittere pil voor de aangewezenen te vergulden door het bewijzen van vriendelijkheden. Vooral de Zuid-Hollandse gardes hebben daarvan kunnen genieten als gevolg van de omstandigheid, dat de decoratieve en sympathieke figuur van Lebrun, hertog Van Plaisance, toen juist als prins-stedehouder op het Huis ten Bosch resideerde.” (Lichtenauer, p. 102)
 
“Het hoogtepunt van ontplooiing der prinselijke charmes was wel het déjeuner, dat de stedehouder op 23 mei aan de gardes van het eerste detachement aanbood. De gasten verzamelden zich in de prefectuur, vanwaar met koetsen naar het Huis ten Bosch werd gereden. De onder-prefect De Gestas nodigde een vijftal der jongelui om in zijn rijtuig mede te rijden. Hieraan werd onder meer gevolg gegeven door de gardes Van Dongen Bolding uit Gouda, Van Driel uit Oud-Beijerland en Koning uit Rotterdam. De heren spraken af te trachten met hun sporen in ’s mans kuiten te prikken. Dit gelukte hun één en andermaal, mede tot grote schade van zijn mooie zijden kousen. ‘Z.Ed. schreeuwde van de pijn’ of zoals een ander relaas vermeldt: ’hetgeen hem een benauwde schreeuw afperste’.
 
Aan tafel troffen de 25 gardes, die opgekomen waren, naast hun gastheer twee generaals en verscheiden andere officieren. De tafel in de ‘zeer prachtige’ eetzaal was bekleed met uitstekend fraai bewerkt damast en ieder couvert was van het nodige en voor deze gelegenheid passende voorzien. In het midden stond een zeer schoon en groot zilveren blad dat omtrent de lengte van vier en de breedte van twee voeten had, waarop allerlei kristallen en porseleinen disornamenten prijkten, terwijl het omringd was door schone, prachtige marmeren vazen, waarin de uitgezochtste bloemen stonden. Er waren allerlei soorten van spijzen op de tafel, en ieder nam wat hij verkoos: krachtige bouillonsoep, sappige osseribben, malse kalfskoteletten, fijn wild en gevogelte, ragouts en een hoop uitmuntend brood. Ieder had ook een eigen fles wijn rechts voor zich en een karaf met water links naast zijn assiette.
 
Huis ten BoschBovendien werden er nog wel vijf andere wijnen opgediend. Ongelukkigerwijs wisten de gardes, die geen ervaring hadden met prinselijke tafelzeden, niet, dat het zaak was ‘vlug en vliegend te schransen’. Niet zodra legde men vork en lepel neder, of een achterstaande knecht nam het bord, met alles wat erop was, weg en gaf een schoon in de plaats. Toen de prins opstond haalden de knechts alle stoelen weg onder de gasten, die niet eens tijd kregen om hun glas fijne smakelijke geurige en sappige dessertwijn uit te drinken. In een andere kamer werden daarna nog zeer sterke koffie en de uitgezochtste likeuren rondgediend. Wat wil men nog meer? In elk geval kwamen de heertjes vrolijk er vandaan.
 
Op de dag van het vertrek, maandag 31 mei, vond nog een bescheidener herhaling van dit feestmaal plaats. Om 7 uur des morgens stegen de jongelieden te paard om zich tijdig op de prefectuur te verzamelen. In één der grote zalen werden zij onthaald op een uitstekend déjeuner à la fourchette: allerhande koud vlees, en gevogelte met de nodige geleijen, en voorts pastei en ander gebak, eijeren, brood, kaas, fijne vruchten, enz. besproeid met overheerlijke, ligte morgenwijn, welke werd gebruikt voor een heildronk op de keizer en op de roem van het leger. Daarna gingen de jongelingen weder naar het Huis ten Bosch, ditmaal te paard. Of de overheerlijke ligte morgenwijn daartoe heeft bijgedragen is niet meer na te gaan, maar het is een feit, dat de rit in de grootste wanorde werd volbracht. De onbedreven ruiters hadden dan ook nog slechts enkele uren aan rijlessen kunnen besteden.” (Lichtenauer, p. 105-106) 
 
Dagboek van Jacobus
 
Over die gedenkwaardige vertrekdag vinden wij de eerste optekening van het door Koos bijgehouden dagboek. Hij schrijft:
 
"den 31 mei 1813 S’morgens ten 8 Uren door den Heer Prefect geinspecteerd zijnde, naar deszelfs Hotel gereden en aldaar gedejeuneerd hebbende, naar het Paleis in 't Bosch gegaan en aldaar te paard gepresenteerd aan Z.D.H. den Prins Gouverneur Generaal en vervolgens over Delft naar Rotterdam gemarcheerd alwaar wij des avonds ten 6 Uren gearriveerd zijn en ingekwartierd bij den Heer C. van Hattem."
 
De volgende dag vertrok hij naar Metz waar het 2e regiment der garde d'honneur gelegerd was en waar hij zich moest melden. Onderweg verbleef hij onder meer in Genappe waarover Koos schrijft:
 
Herberg Roy d'Espagne in Genappe"11 junij, des s'morgens ten 3 Uren opgestaan en ten 6 Uren uit Brussel gemarcheerd langs eene bergachtige Weg en door een Bosch van meer dan 3 Uren naar Genappe, een allendig vuil dorp, waar wij slegt gelogeerd waren en dus de Herberg verkozen hebben."
 
Aangezien Koos spreekt van een dorp en van de herberg in plaats van een herberg, verbleef hij met zeer grote waarschijnlijkheid in “Auberge du Roi d’Espagne”. Exact twee jaar later, in juni 1815, zou Genappe nauw betrokken zijn in het definitieve verlies van Napoleon bij de Slag van Waterloo. Genappe ligt namelijk nog geen 15 km van Waterloo. De oude herberg Roi d’Espagne dat nog steeds te vinden is op Place de l’Empereur in het centrum van Genappe kende in 1815 beroemde gasten: Wellington op 16 juni, de Prins Jérôme en generaal Reille op de 17e, Maarschalk Blücher die er zijn hoofdkwartier vestigde op de 18e, alsook de Franse generaal Duhesme, commandant van de Jonge Garde, die na een heldhaftige strijd op 18 juni bij de Slag van Waterloo dodelijk verwond raakte en in de nacht van 19 op 20 juni in de herberg overleed.
 
Koos had uiteraard geen idee dat de opperbevelhebber van het vijandige leger twee jaar later, slechts twee dagen voor de beslissende Slag van Waterloo, op dezelfde locatie in dat "allendig vuil dorp" zou verblijven.
 
Officieren van het 2e regiment 

Generaal Louis Lepic (1765-1827)Generaal Adelaïde Blaise François Le Lièvre, marquis de La Grange et de Fourilles (1766-1833)Bij zijn aankomst in Metz, anderhalve week later, werd duidelijk dat zijn regiment zou dienen onder generaal Louis Lepic. Koos schrijft: 

"23 junij, ten 3 Uren opgestaan en ten 5 Uren vertrokken naar Metz, waar wij ten twaalf Uren gearriveerd zijn en dadelijk geinspecteerd door de Generaal (Baron) Lepic, vervolgens op 't fort even buiten de stad in de Caserne gebragt en geplaatst in de tweede Compagnie de Zevende Escuade, dagelijks (twee maal) geinspecteerd en gemanoevreerd en van tijd tot tijd (eens) naar de stad geweest die zeer mooi is en groot, men vind hier veel Winkels, eenige Kerken bezien en tweemaal in de Komedië geweest, die mooi is, ook vind men hier veel (schoone) Koffijhuizen, die sterk bezocht worden."  

Ruim een jaar later, op 5 oktober 1814, werd generaal Lepic wegens gezondheidsredenen vervangen door generaal Adelaïde Lagrange. 

Ontmoetingen met Napoleon 

Portret van Roustam Raza (schilder onbekend)Portret van Roustam Raza, Napoleon's Mammeluk, 1810 (Horace Vernet)Diverse keren werd zijn regiment door Napoleon persoonlijk geïnspecteerd. Of kwam hij de keizer eens onderweg in het voorbijgaan tegen zoals blijkt uit de volgende dagboeknotitie:  

"26 julij, ten 4 Uren opgestaan en ten 5 Uren weder te voet vertrokken langs eene bergachtige, vuile en bijna ontoeganglijke weg naar Rommertz, een armoedig dorp alwaar wij ten 5 Uren zijn aangekomen en allerslegts ingekwartierd. - Op de weg kwamen ons verscheidene Couriers tegen, waarvan de laatste ons verzekerde dat Z.M. den Keizer dadelijk zoude volgen, zooals Z.M. dan ook oogenblikkelijk zonder eenig gevolg en alleen van 6 à 8 Gardes d'honneur en 2 Mamelukken vergezeld ons tegenkwam. - des nagts wederom op Hooij geslapen in eene opene Schuur." 

De twee genoemde Mamelukken waren Napoleon's lijfwachten Roustam Raza en Ali, waarvan Roustam de bekendste was zoals blijkt uit veel schilderijen uit die tijd en hedendaagse verfilmingen. 

De volkerenslag bij Leipzig
  
'In de slag bij Leipzig en vervolgens het treffen bij Hanau in de maand oktober [1813] als onderdeel van Napoleons Saksische veldtocht, ondergingen de Gardes d'Honneur hun vuurdoop... Bij Leipzig stonden zij opgesteld in de derde en laatste linie, voorbij de ambulances, en viel voor zover bekend slechts één gewonde als gevolg van een opspringende kanonskogel. Deze raakte de garde d'honneur D.J.L. Strick van Linschoten op de linkerschouder en het gezicht, hetgeen "een sterke kneuzing op de schouder veroorzaakte en mijn gesigt gants deed opswellen".
 
Na hun afgang bij Leipzig stootten de Fransen op hun terugtocht bij Hanau op een legermacht van Beieren en Oostenrijkers. De Garde d'Honneur, inmiddels ingelijfd bij de Garde Impériale, zou hier niet langer gespaard worden. Hoewel de details niet bekend zijn, komt uit verschillende getuigenissen naar voren dat de Garde d'Honneur hier een eerzame rol speelde, waarbij verschillende dodelijke slachtoffers te betreuren waren.'2 Napoleons nederlaag bij de Volkerenslag in Leipzig was toen echter al een feit.
 
Op 21 november 1813 begonnen de Franse troepen zich uit Nederland terug te trekken. Op 2 december 1813 werd Willem Frederik, de zoon van Willem V, als de soevereine vorst koning Willem I ingehuldigd.
 
Ontmoetingen in Parijs
 
Generaal Gebhard Leberecht von Blücher (1742-1819)
Tsaar Alexander I Pavlovitsj (1777-1825)
Als Koos in Parijs aankomt en tijdens zijn verblijf aldaar uitvoerig de bezienswaardigheden en het uitgaansleven beschrijft, wordt duidelijk dat hij diverse prominenten uit de geschiedenis tegenkomt. Zo schrijft hij op 27 april 1814:
 
"21 april, ten 4 Uren met dezelfde patache weder van hier vertrokken en ten An Uren te Parijs aangekomen aan de barrière d'Anfer, vervolgens in een fiacre gereden naar het Hotel de la ville Rouen, rue d'Angivilliers, aldaar gelogeerd op de 7e verdieping (114 trappen hoog) - nog dezelfde middag de Pruisische Generaal Blücher gezien, wandelende in het Palais Royale."
 
Een week later bezoekt hij tegelijkertijd met de Russische tsaar een theatervoorstelling. Hij schrijft:
 
"27 april, des Avonds met onbegrijpelijk veel moeite een plaats bekomen in het théatre de l'Opera Comique (rue Feydeau), 't geen vereerd wierd met de tegenwoordigheid van Z.M. de Keizer van Rusland, Mgr. Le Duc de Berry, de Generaal Sacken en veele andere voorname mannen, welken wij allen zeer van nabij gezien hebben. het Lokaal is van binnen zeer netjes, dan van het stuk zelve heb ik niets kunnen zien."
 
Hoe het verder ging
 
Op 4 mei 1814 kwam Koos na zijn avontuur als garde heelhuids terug in Gouda. Een half jaar later huwde hij op 21-jarige leeftijd op 9 november 1814 met Clasina Apolonia Catharina van Breda. Samen kregen ze vier zonen en twee dochters. Naast makelaar en controleur der stedelijke belastingen was Koos later ook eigenaar van de tabak-, snuif-, koffie- en theewinkel "De Gekroonde Klok" op de Tiendeweg in Gouda.
 
Hij overleed in de ouderdom van 66 jaar op 3 augustus 1859 in Gouda.
 
Bronnen en achtergrondinformatie

1. W.F. Lichtenauer, De Nederlanders in Napoleons Garde d'Honneur, Reeks historische werken van het Historisch Genootschap Roterodamum, deel 9 (Rotterdam, 's-Gravenhage 1971).
2. J.W. Callenfels, Mijn uittocht als garde d'honneur 1813, Dagboek van de Zeeuw Jacob Willem Callenfels, (Uitgeverij Alvo, Delft 2000).


Kijk eens op onderstaande schilderijen of u net als Koos Napoleon's lijfwacht Roustam kunt ontdekken:

Bataille d'Austerlitz (Francois Pascal Simon Gerard)

Retour de Napoleon dans l'ile de Lobau apres la bataille d'Essling, 1809 (Charles Meynier, 1812)

Austerlitz (Johann Lorenz Rugendas)

Reddition de la ville d'Ulm, le 20 octobre 1805, Napoleon Ier recevant la capitulation du general Mack (Charles Thevenin, 1815)

Napoleon recoit les clefs de Vienne a Schonbrunn, le 13 novembere 1805 (Anne Louis Girodet de Roucy Trioson, 1808)

Bivouac de Napoleon ler a la veille de la bataille d'Austerlitz, 1 decembre 1805 (Louis Francois Lejeune, 1808)

Napoleon harangue le 2me corps de la Grande-Armee sur le pont de Lech d'Augsburg, 1805 (Pierre Gautherot, 1808)

Napoleon blesse devant Ratisbonne, 23 avril 1809 (Pierre Gautherot, 1810)

Napoleon harangue les troupes bavaroises et wurtembourgeoises d'Abensberg, 1809 (Jean-Baptiste Debret, 1810)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Garde d'honneur onder Napoleon
Chirurgijn in Gouda
Ridder in Utrecht
Rector Latijnse School
Watergeus van Oudewater
Drukker uit Friesland
Koloniste in Ommerschans
Schipbreukeling in Indië
IntroHomeStamboomBiografieënFamiliewapensFotoalbumPlaatsenMormonenDankwoordOver mijContactCopyright